ECLI:NL:HR:1999:AA2898
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer Pos
- raadsheer Beukenhorst
- raadsheer Kop
- Rechtspraak.nl
Beoordeling tijdelijke aard van verblijf voor toepassing belastingverdrag Nederland-Duitsland
Belanghebbende, woonachtig in Nederland, was in 1993 werkzaam voor een Nederlands pensioenfonds en verrichtte inspectiewerkzaamheden in Duitsland gedurende 93 dagen. De Inspecteur legde hem een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen op zonder aftrek ter voorkoming van dubbele belasting, wat door het Hof werd bevestigd.
Belanghebbende stelde dat zijn verblijf in Duitsland niet tijdelijk was in de zin van artikel 10, lid 2, van het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland, omdat hij daar regelmatig en langdurig werkte en overnachtte. Het Hof verwierp dit standpunt op basis van een Besluit waarin werd gesteld dat het begrip 'tijdelijk' geen zelfstandige betekenis heeft naast de 183-dagenregeling.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof niet uitsluitend op het Besluit mocht steunen en dat het woord 'tijdelijk' wel een zelfstandige betekenis heeft. Echter, onder de vastgestelde omstandigheden was het verblijf van belanghebbende in Duitsland van tijdelijke aard. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt, aangezien geen afwijkend interpretatiebeleid van het Verdrag is gebleken.
De Hoge Raad verwerpt het beroep in cassatie en acht geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen; het verblijf van belanghebbende in Duitsland wordt als tijdelijk beschouwd waardoor geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting wordt toegekend.