ECLI:NL:PHR:2007:AU3571
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing over basissalaris van sportbeoefenaar onder artikel 17 OESO-modelverdrag
Belanghebbende, een beroepswielrenner in dienstbetrekking, ontving een basissalaris en start- en prijzengelden. Het geschil betrof de vraag of een deel van het basissalaris kon worden toegerekend aan werkzaamheden in het buitenland en daarmee recht gaf op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting op grond van belastingverdragen met België, Ierland en Spanje.
Het Hof oordeelde dat het basissalaris onder artikel 17 van Pro het OESO-modelverdrag valt en dat een evenredige toerekening op basis van het aantal dagen dat de werkzaamheden in het buitenland zijn verricht passend is. De staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad bevestigde dat het basissalaris, ook als vaste periodieke beloning, kan worden belast in de werkstaat en dat geen direct verband tussen salaris en buitenlandse werkzaamheden vereist is. Ook trainings- en reisdagen kunnen onder artikel 17 vallen Pro indien zij samenhangen met publieksgerichte optredens. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard.
De conclusie bevat een uitgebreide analyse van de tekst, ratio en jurisprudentie omtrent artikel 17 OESO Pro-modelverdrag, de verhouding met andere verdragsartikelen, en de methoden van toerekening van inkomsten van sportbeoefenaars. Tevens wordt ingegaan op de praktische uitvoerbaarheid en beleidsmatige overwegingen bij de belastingheffing van sporters.
De uitspraak bevestigt dat het artiesten- en sportersartikel een ruime toepassing kent, ook voor basissalarissen, en dat de werkstaat belastingheffing kan uitoefenen over een proportioneel deel van het salaris dat samenhangt met buitenlandse werkzaamheden.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; het basissalaris kan naar rato van buitenlandse werkzaamheden worden toegerekend onder artikel 17 OESO-modelverdrag.