ECLI:NL:HR:1999:AA3819
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Roelvink
- raadsheer Heemskerk
- raadsheer Herrmann
- raadsheer Van der Putt-Lauwers
- raadsheer Fleers
- Rechtspraak.nl
Vordering uit hoofde van vakantie-uitkering in faillissement is boedelschuld
De zaak betreft een geschil tussen het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen (LISV) en de curator in het faillissement van International B.V. LISV vorderde dat haar vordering op grond van uitkeringen wegens opgebouwde vakantieaanspraken als boedelschuld werd erkend. De Rechtbank Almelo had geoordeeld dat alleen de vordering voor tijdens het faillissement opgebouwde aanspraken boedelschuld was, terwijl de aanspraken opgebouwd vóór faillissement niet als zodanig werden erkend.
De Hoge Raad vernietigde dit vonnis en stelde dat de gehele vordering, zowel voor als na faillissementsdatum opgebouwde vakantieaanspraken, als boedelschuld moet worden aangemerkt. Dit volgt uit de kwalificatie van de uitkering als loon in de zin van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet. De aanspraak ontstaat immers pas bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst, die hier na faillissementsdatum plaatsvond.
De Hoge Raad veroordeelde de curator tevens in de kosten van zowel de procedure in eerste aanleg als in cassatie. Hiermee werd een belangrijke verduidelijking gegeven over de positie van vakantie-uitkeringen in faillissementen en de boedelschuldstatus daarvan.
Uitkomst: De vordering van LISV uit hoofde van vakantie-uitkeringen is volledig als boedelschuld erkend.