Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van de prejudiciële vragen
nade faillietverklaring opgebouwde vakantie-aanspraken, maar afgewezen voor zover deze zag op de uitkering wegens vakantie-aanspraken opgebouwd
voorde faillietverklaring. De rechtbank had de afwijzing als volgt gemotiveerd:
eersteonderdeel werd met een beroep op HR 12 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1136, NJ 1994/229, m.nt. WMK (Frima q.q./Blankers) – betreffende het ontstaan van een boedelschuld door ‘toedoen van de curator’– betoogd dat de aanspraak op uitkering in geld ex art. 7A:1638ii (oud) BW, in het geval dat een faillissementscurator de dienstbetrekking beëindigt, moet worden aangemerkt als zijnde ontstaan tijdens het faillissement als gevolg van een door de curator ten behoeve van de boedel verrichte rechtshandeling en dus als een boedelvordering, ongeacht of de vakantie-aanspraken terzake waarvan de uitkering in geld verschuldigd is vóór of ná de faillietverklaring van de werkgever zijn ontstaan.
tweedeonderdeel behelsde onder meer de klacht dat de rechtbank had miskend dat een in art. 7A:1638ii (oud) BW bedoelde uitkering in geld loon is in de zin van art. 40 lid 4 Fw Pro (thans art. 40 lid 2 Fw Pro), zodat de aanspraak op deze uitkering reeds daarom als een boedelvordering moet worden aangemerkt.
enerzijds, dat het arrest LISV/Wilderink q.q. niet is geschoeid op het ‘toedoencriterium’ waarvan door de Hoge Raad in het arrest Koot Beheer/Tideman q.q. wordt teruggekomen en dat het dan ook terecht niet wordt genoemd in de opsomming van achterhaalde arresten in rov. 3.8 van Koot Beheer/Tideman q.q., en,
anderzijds, dat het ingevolge LISV/Wilderink q.q. gaat om een uit art. 40 Fw Pro voortvloeiende en derhalve in de toegelaten ‘categorie I’ (boedelschuld door wetsduiding) van het arrest Koot Beheer/Tideman q.q. (rov. 3.7.1) te rangschikken boedelschuld. In dit verband kan verwezen worden naar de volgende auteurs.
vragen Ia), b)enc)mijns inziens alle bevestigend te worden beantwoord.
Vraag IImoet ontkennend worden beantwoord.
geverde vakantie vaststelt, zij het na overleg met de werknemer. [30] Thans geldt ingevolge art. 7:638 lid 2 BW Pro dat, voor zover in de vaststelling van de vakantie niet is voorzien bij schriftelijke overeenkomst dan wel bij of krachtens collectieve arbeidsovereenkomst of regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan of de wet, de werkgever de tijdstippen van aanvang en einde van de vakantie vaststelt overeenkomstig de wensen van de werk
nemer, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten. [31] Indien de werkgever niet binnen twee weken nadat de werknemer zijn wensen schriftelijk heeft kenbaar gemaakt, schriftelijk aan de werknemer gewichtige redenen heeft aangevoerd, is de vakantie vastgesteld overeenkomstig de wensen van de werknemer. Lid 3 bepaalt dat in geval van gewichtige redenen de vakantie op zodanige wijze wordt vastgesteld dat de werknemer als desverlangd, voorzover zijn aanspraak daartoe toereikend is, gedurende twee opeenvolgende weken of tweemaal een week vakantie kan opnemen. Lid 4 bepaalt dat de werkgever de vakantie zo tijdig vaststelt dat de werknemer gelegenheid heeft tot het treffen van voorbereidingen voor de besteding van de vakantie. Lid 5 bepaalt dat de werkgever, indien daartoe gewichtige redenen zijn, na overleg met de werknemer, het vastgestelde tijdvak van de vakantie kan wijzigen. De schade die de werknemer lijdt ten gevolge van de wijziging van het tijdvak van de vakantie, wordt door de werkgever vergoed.
vraag IIImijns inziens te luiden dat de curator, als zijnde gebonden aan art. 7:638 BW Pro, geen opname van niet-genoten vakantie kan afdwingen maar slechts in zoverre opname van vakantie kan ‘verlangen’ dat hij de werknemer kan uitnodigen tot vaststelling van vakantie met inachtneming van de in art. 7:638 BW Pro gegeven regels en beperkingen. [36] Ik zie daarbij geen reden een uitzondering te maken voor bovenwettelijke vakantiedagen, aangezien de wetgever in art. 7:641 (en art. 638 lid Pro 2 [37] ) BW geen onderscheid tussen wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen maakt. [38]