Uitspraak
Rockwool heeft de vorderingen bestreden.
Tegen voormelde vonnissen hebben [eisers] en [D] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch. Rockwool heeft tegen het tussenvonnis van 6 april 1989 (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij tussenarrest van 18 oktober 1994 heeft het Hof een comparitie van partijen gelast teneinde hen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten omtrent de door het Hof voorlopig geformuleerde vragen en/of omtrent nadere vragen, alsmede omtrent aantal en persoon van de te benoemen deskundigen. Bij tussenarrest van 28 november 1995 is een deskundigenonderzoek gelast met betrekking tot 15 door het Hof geformuleerde vragen. Na deskundigen-bericht heeft het Hof bij eindarrest van 8 oktober 1997 [D] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep verklaard, en in het door [eisers] ingestelde hoger beroep het eindvonnis van de Rechtbank bekrachtigd.
De genoemde arresten van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Rockwool mede door mr M.A. Leijten, advocaat bij de Hoge Raad.
(i) Rockwool produceert steenwol. Dit product wordt onder meer toegepast ten behoeve van de verbetering van de structuur van (pot) grond.
(iii) In de relatie tussen Rockwool en potgrondfabrikanten gold een exoneratieclausule ten behoeve van Rockwool.
Een van de series had driecijferige typenummers, waarvan het middelste een “2”was; een andere serie had als middelste cijfer een “6”. Bedoelde series worden aangeduid als “tweewol” en “zeswol”.
(v) Zowel aan tweewol als aan zeswol werden siliconen toegevoegd (bij tweewol siliconenhars en bij zeswol siliconenolie), teneinde de wol waterafstotend te maken en aldus zijn werking beter of langer te doen behouden.
Gedurende enige tijd hebben zij potgrond met tweewol voor de teelt van yucca’s gebruikt; daarbij zijn geen problemen ontstaan.
(ix) Tussen Rockwool en [eisers] bestond geen contractuele relatie.
De verantwoordelijkheid ten aanzien van de toepassing van een halffabrikaat ligt veelal bij degene die het eindprodukt vervaardigt; hooguit kan van de leverancier, indien hij weet dat zijn produkt volstrekt ongeschikt is voor het door die fabrikant beoogde doel, verwacht worden dat hij die fabrikant daarop wijst; in dat geval heeft hij een eigen verantwoordelijkheid. Die verantwoordelijkheid zal bovendien groter zijn indien het initiatief om dat halffabrikaat aan het bewuste eindprodukt toe te voegen, niet van de fabrikant van dat eindprodukt, maar van de leverancier van het halffabrikaat afkomstig is.
Indien en voorzover zou blijken dat in dat opzicht aan Rockwool relevante verwijten kunnen worden gemaakt zou dit tot de slotsom kunnen leiden dat zij rechtstreeks onrechtmatig jegens derden-afnemers heeft gehandeld, zijn zou zich alsdan niet ter afwering van aanspraken van die derden-afnemers kunnen beroepen op de exoneratieclausule.
(e) Rockwool heeft haar directe afnemers (potgrondfabrikanten) wel op de hoogte gesteld van het feit dat een wijziging in de samenstelling was aangebracht en zij kon daarmee volstaan;
De door het onderdeel aangevoerde klachten behoeven thans geen behandeling omdat de vraag naar het bestaan van causaal verband tussen het gebruik van zeswol en de gestelde schade na verwijzing in volle omvang opnieuw moet worden onderzocht.
Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.
Het onderdeel faalt. Anders dan het onder a veronderstelt, heeft het Hof de causaliteitsvraag niet bevestigend beantwoord. Evenmin heeft het Hof oordelen gegeven als onder b en c verondersteld. Het Hof heeft niets anders bedoeld dan dat zèlfs indien men causaal verband zou willen aannemen, toch geen verplichting van Rockwool tot schadevergoeding zou bestaan omdat geen omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan Rockwool destijds op deze causaliteit bedacht had moeten zijn.
Beide veronderstellingen berusten op een verkeerde lezing van ’s Hofs arrest. Het Hof heeft slechts geoordeeld dat,
indienRockwool verwijtbaar en rechtstreeks onrechtmatig jegens derden-afnemers heeft gehandeld, zulks tot de slotsom zou
kunnenleiden dat haar geen beroep op de exoneratieclausule toekomt. Het middel kan derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.
22 oktober 1999.