ECLI:NL:HR:2000:AA4744
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Van Amersfoort
- Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt beperkte toepassing artikel 13b Wet op de vennootschapsbelasting bij omzetting vordering in informeel kapitaal
Belanghebbende, houdster van alle aandelen van een Belgische dochtervennootschap, had in 1991 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd gekregen. De aanslag was gebaseerd op een belastbaar bedrag van ruim 9,8 miljoen gulden, welke na bezwaar en beroep door het Hof was verminderd tot circa 7,4 miljoen gulden. De kern van het geschil betrof de fiscale behandeling van een rekening-courantvordering die deels was omgezet in een achtergestelde lening zonder rente en zekerheden, kwalificerend als informeel kapitaal.
Het Hof oordeelde dat een deel van de vordering als informeel kapitaal moest worden aangemerkt, waardoor voor dat deel geen voorziening ten laste van de winst kon worden gevormd. De Staatssecretaris stelde in cassatie dat artikel 13b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 van toepassing moest zijn, waardoor de voorziening tot de winst moest worden gerekend. De Hoge Raad verwierp dit beroep en bevestigde dat artikel 13b, lid 2, onder a, niet ziet op informele kapitaalstortingen, en dat de tekst en parlementaire geschiedenis geen aanleiding geven tot een ruimere interpretatie.
De Hoge Raad benadrukte dat de omzetting van de vordering in informeel kapitaal fiscaal geen gevolgen heeft indien de boekwaarde niet lager is dan de waarde in het economische verkeer. De Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten van het cassatiegeding. Hiermee is de rechtspraak over de fiscale behandeling van informele kapitaalstortingen bij deelnemingen verduidelijkt.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt verworpen; artikel 13b Wet op de vennootschapsbelasting is niet van toepassing op omzetting in informeel kapitaal.