ECLI:NL:HR:2000:AA4985

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 maart 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
34580
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van Vliet
  • Hammerstein
  • Van Amersfoort
  • Lourens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Besluit proceskosten fiscale proceduresArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzakenArt. 1 Eerste Protocol EVRMArt. 2 lid 3 Besluit proceskosten fiscale procedures
Verwijzingen
2 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toepassing artikel 3 Besluit proceskosten fiscale procedures bij samenhangende zaken

Belanghebbende was voor het jaar 1987 aanvankelijk aangeslagen op nihil premie-inkomen in de premieheffing volksverzekeringen, waarna een navorderingsaanslag werd opgelegd van ƒ 64.550 zonder verhoging. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage vernietigde deze navorderingsaanslag op bezwaar. Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het Hof.

De Hoge Raad beoordeelde in cassatie de klachten tegen de toepassing van artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten fiscale procedures, dat bepaalt dat samenhangende zaken als één zaak worden beschouwd voor de vaststelling van proceskosten. De klachten dat dit besluit in strijd zou zijn met de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken en het Eerste Protocol bij het EVRM werden verworpen.

De Hoge Raad oordeelde dat het forfaitaire karakter van het Besluit niet onredelijk is en dat het niet leidt tot het niet vergoeden van kosten van betekenis, mits bijzondere omstandigheden niet aanwezig zijn. De Hoge Raad bevestigde daarmee de rechtmatigheid van het oordeel van het Hof en wees het cassatieberoep af.

Het arrest werd vastgesteld op 1 maart 2000 door de vice-president Jansen en raadsheren Van Vliet, Hammerstein, Van Amersfoort en Lourens, en in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het oordeel van het Hof dat geen proceskostenveroordeling wordt uitgesproken voor samenhangende fiscale procedures.

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden
D e r d e K a m e r
Nr. 34580
1 maart 2000
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 1 juli 1998 betreffende na te melden navorderingsaanslag in de premieheffing volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende, die aanvankelijk voor het jaar 1987 was aangeslagen in de premieheffing volksverzekeringen naar een premie-inkomen van nihil, is over dat jaar een navorderingsaanslag in de premieheffing volksverzekeringen opgelegd naar een premie-inkomen van ƒ 64.550,-- zonder verhoging.
Belanghebbende is tegen die aanslag in beroep gekomen bij het Hof dat deze aanslag heeft vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
De Advocaat-Generaal Van den Berge heeft op 1 oktober 1999 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Het Hof heeft in de onderhavige zaak - met kennelijke toepassing van artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten fiscale procedures (hierna: het Besluit) - geoordeeld dat het geen termen aanwezig acht voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken (tekst 1998; hierna: de Wet), zulks gelet op de samenhang met de zaak nummer 913574-M-2, waarin reeds een proceskostenveroordeling is uitgesproken.
Tegen dit oordeel keren zich de klachten.
3.2. De eerste klacht houdt in dat artikel 3 van Pro het Besluit onverbindend is. Deze klacht faalt. Artikel 3, lid 1, van het Besluit bepaalt dat voor de vaststelling van het bedrag van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand samenhangende zaken als één zaak worden beschouwd. Deze bepaling is, anders dan waartoe de klacht strekt, niet in strijd met artikel 5a, lid 1, laatste volzin, van de Wet, waarin is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over - voorzover te dezen van belang - de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. Het is noch met de tekst noch met de strekking van laatstgenoemde bepaling in strijd dat de besluitgever, zoals hij blijkens de Nota van Toelichting bij het Besluit heeft gedaan, bij het stellen van regels over de wijze waarop bij uitspraak het bedrag van de kosten dient te worden vastgesteld, ervan is uitgegaan dat het voor een rechtshulpverlener inhoudelijk niet uitmaakt of hij een procedure over één zaak dan wel over meerdere gelijksoortige zaken voert. De omstandigheid dat de in het Besluit neergelegde regeling een forfaitair karakter heeft, maakt dit niet anders.
3.3. De tweede klacht strekt kennelijk ten betoge dat het Hof artikel 3 van Pro het Besluit wegens strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM buiten toepassing had moeten laten. Dit betoog kan evenmin tot cassatie leiden. Het hiervóór in 3.2 vermelde uitgangspunt van de besluitgever, waarin ligt besloten dat het voeren van een procedure in een samenhangende zaak niet tot extra kosten van betekenis leidt, is niet onredelijk. De regeling van artikel 3 van Pro het Besluit heeft op zichzelf dan ook niet tot gevolg dat kosten van betekenis niet vergoed worden. Met bijzondere omstandigheden kan op de voet van artikel 2, lid 3, van het Besluit rekening worden gehouden. Uit de uitspraak van het Hof en de stukken van het geding blijkt niet dat dergelijke omstandigheden zich in dit geval hebben voorgedaan of zijn aangevoerd.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 1 maart 2000 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van Vliet, Hammerstein, Van Amersfoort en Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.