ECLI:NL:HR:2000:AA5406
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Mijnssen
- raadsheer Herrmann
- raadsheer Fleers
- raadsheer Hammerstein
- raadsheer Kop
- Rechtspraak.nl
Ontheffing van ouderlijk gezag wegens ongeschiktheid moeder en benoeming voogdij
De zaak betreft een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om de moeder te ontheffen van het ouderlijk gezag over haar minderjarige zoon, die sinds kort na zijn geboorte onder toezicht is gesteld en uit huis geplaatst. De moeder, ongehuwd en onbekend wie de biologische vader is, heeft het gezag over haar zoon, maar de Raad verzocht ontheffing wegens haar ongeschiktheid en onmacht om voor het kind te zorgen.
De rechtbank wees het verzoek af, maar het hof vernietigde deze beslissing en ontheefde de moeder van het gezag, waarbij het de Stichting benoemde tot voogd. Het hof motiveerde dat de ondertoezichtstelling onvoldoende bescherming bood tegen zedelijke en lichamelijke ondergang van het kind en dat de instemming van de moeder met de uithuisplaatsing niet duurzaam genoeg was.
De moeder stelde beroep in cassatie in, stellende dat het hof ten onrechte oordeelde dat zij niet duurzaam instemde met de uithuisplaatsing en dat het contact met haar zoon niet geheel verbroken werd. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat het hof de juiste motivering had gegeven en dat het oordeel niet onbegrijpelijk was. De ontheffing van het ouderlijk gezag en benoeming van de Stichting tot voogd bleef daarmee in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de ontheffing van de moeder van het ouderlijk gezag en de benoeming van de Stichting tot voogd.