ECLI:NL:HR:2000:AA5547
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Van Amersfoort
- Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt middellijke winstuitdeling en verwerpt cassatieberoep in navorderingsaanslag inkomstenbelasting
Belanghebbende was aanvankelijk aangeslagen voor een belastbaar inkomen in de inkomstenbelasting 1988. Later werd een navorderingsaanslag opgelegd met een hogere belastbare grondslag en een verhoging van 100%, waarvan de helft werd kwijtgescholden. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat de navorderingsaanslag met de verhoging deels vernietigde en het kwijtscheldingsbesluit introk.
De zaak kwam in cassatie bij de Hoge Raad, die het beroep van belanghebbende verwierp. Het Hof had geoordeeld dat B B.V. zich had verarmd door af te zien van preferent dividend en daarmee een middellijke uitdeling van winst had gedaan via C B.V., die de houders van gewone aandelen verrijkte. Dit oordeel bleef onverminderd van kracht, ook al was belanghebbende zelf niet per saldo verrijkt.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel van cassatie faalde omdat het Hof niet stelde dat belanghebbende zelf was verrijkt, maar de houders van gewone aandelen. Tevens leidde de middellijke uitdeling niet tot dubbele heffing omdat de informele kapitaalstorting in C B.V. niet belastbaar was. De Hoge Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en sprak het arrest uit op 19 april 2000.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de navorderingsaanslag met verhoging.