Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
nietgezamenlijk met het gezag worden belast en de dochter de leeftijd van 18 maanden nog niet heeft bereikt: te bepalen dat hij gerechtigd zal zijn tot omgang met de dochter iedere maandag en woensdag van 15 tot 17 uur en iedere zaterdag van 14 tot 18 uur, waarbij de vader de dochter haalt en brengt. De moeder heeft tegen deze verzoeken verweer gevoerd.
2.Inleidende beschouwingen
pilot-projecten. Ondanks positieve reacties is dit project stopgezet omdat de benodigde financiën ontbraken [15] .
Omgangsbegeleiding en omgangshuizen
Defence for Childeren Internationalin 2008 bevestigt dat het aanbod tot omgangsondersteuning en -begeleiding in Nederland beperkt was en verschillend werd gefinancierd: structurele vormen van omgangsbegeleiding ontbraken. In een aantal provincies bestond een omgangshuis, in sommige werd andere omgangsbegeleiding aangeboden. De financiering geschiedde soms door subsidie van de provincie, als vorm van jeugdzorg op indicatie van een Bureau Jeugdzorg; in andere gevallen moeten de ouders alle kosten zelf betalen. Een afzonderlijk aandachtspunt waren de wachtlijsten [29] . In de vakliteratuur is veel aandacht besteed aan de diverse vormen van omgangsbemiddeling en omgangsbegeleiding [30] .
3.Bespreking van het cassatiemiddel
rechtvan de ouders daartoe. Dat impliceert dat ook de vorm, frequentie en duur en de nadere invulling van een te treffen omgangsregeling in beginsel aan de ouders (en niemand anders is voorbehouden). Het hof heeft dit miskend.
reformatio in peiusheeft overtreden, heeft hierop betrekking. Deze klacht houdt in dat de rechtbank voor dit tijdvak omgang had bevolen “volgens de bij het Omgangshuis gangbare en haalbare frequentie”, terwijl het dictum van het hof voor dit tijdvak het bepalen van “vorm, frequentie en duur van de omgangscontacten” geheel overlaat aan het Omgangshuis.
pro formaaangehouden tot 13 oktober 2013). De klacht noopt om die reden niet tot cassatie: het hof is niet buiten de rechtsstrijd getreden. Overigens verdient in voorkomende gevallen aanbeveling dat de rechter, wanneer hij van de mogelijkheid van verwijzing naar een Omgangshuis gebruik maakt, een maximum aan de duur en frequentie van de proefcontacten stelt, dan wel het einddoel in het tijdvak waarvoor de tijdelijke omgangsregeling geldt, in zijn beschikking opneemt.
reformatio in peius.
reformatio in peiusten aanzien van de opgelegde dwangsomsanctie komt erop neer dat het appelrechter ten onrechte, buiten de grieven om, een dwangsom aan de appellante heeft opgelegd. Deze klacht acht ik gegrond. De rechtbank had in haar beschikking van 19 september 2012 geen dwangsomsanctie opgelegd; in haar beschikking van 11 januari 2012 had zij overwogen dat de “huidige ontwikkelingen” haar aanleiding gaven de beslissing over het opleggen van een dwangsom aan te houden. Het hoger beroep van de moeder bood voor de appelrechter geen grondslag om, buiten de daardoor bepaalde grenzen van de rechtsstrijd, alsnog een dwangsom op te leggen. Uit de bestreden beschikking blijkt evenmin dat het hof in de stellingen van de vader ten aanzien van een aan de omgangsregeling te verbinden dwangsomsanctie een incidenteel hoger beroep heeft gelezen. Integendeel, de vader had in appel geconcludeerd tot bekrachtiging van de beschikking in eerste aanleg (zie rov. 3.3). De bestreden beschikking kan op dit punt niet in stand blijven. Het valt ook op dat het hof, anders dan eerder de voorzieningenrechter, geen woord heeft gewijd aan de mogelijkheid een bedrag te bepalen waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd (art. 611b Rv).