ECLI:NL:HR:2000:AA8605

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 november 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
35862
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • G.J. Zuurmond
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 50 lid 12 Wet op de omzetbelasting 1968Art. 36c lid 1 Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968
Verwijzingen
13 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewijslast belastingplichtige bij naheffingsaanslag bijzondere verbruiksbelasting personenauto’s

Belanghebbende exploiteert een taxibedrijf en ontving een naheffingsaanslag in de bijzondere verbruiksbelasting van personenauto’s. Deze aanslag werd opgelegd vanwege het feit dat de personenauto niet uitsluitend voor taxi-vervoer werd gebruikt, terwijl voor teruggaaf een schriftelijke verklaring was overgelegd dat dit wel het geval was.

Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag, waarna belanghebbende in beroep ging bij het Hof. Het Hof vernietigde de aanslagverhoging en beperkte de naheffing tot de enkelvoudige belasting zonder verhoging. Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in tegen deze uitspraak.

De Hoge Raad oordeelt dat de bewijslast voor het voldoen aan de vrijstellingsvoorwaarden bij de belastingplichtige ligt. Het Hof heeft terecht geoordeeld dat belanghebbende niet is geslaagd in deze bewijslast, mede omdat niet objectief kan worden vastgesteld of de auto uitsluitend voor taxi-vervoer is gebruikt. Het cassatiemiddel faalt omdat het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk is.

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en acht geen gronden aanwezig voor veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat belanghebbende niet is geslaagd in de bewijslast voor vrijstelling van de bijzondere verbruiksbelasting.

Uitspraak

Nr. 35862
29 november 2000
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 17 december 1999 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de bijzondere verbruiksbelasting van personenauto’s.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de bijzondere verbruiksbelasting van personenauto’s, aanslagnummer 001, opgelegd ten bedrage van f 16.860,-- aan enkelvoudige belasting met een verhoging van de nageheven belasting van honderd percent, van welke verhoging de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag kwijtschelding heeft verleend tot op 50 percent. Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij gezamenlijke uitspraak de naheffingsaanslag en de beschikking inzake de kwijtschelding gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft deze uitspraak vernietigd en de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van f 16.860,-- aan enkelvoudige belasting zonder verhoging. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
3. Beoordeling van de klacht
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende exploiteert een taxibedrijf.
Ter zake van de in het taxibedrijf gebezigde personenauto is op basis van artikel 50, lid 12, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (tekst tot 1 januari 1993) een teruggaaf verleend van bijzondere verbruiksbelasting van personenauto’s.
Bij de aangifte tot verkrijging van teruggaaf als bedoeld in artikel 36c, lid 1, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (tekst tot 1 januari 1993) heeft belanghebbende een schriftelijke verklaring overgelegd, inhoudende dat de personenauto slechts voor taxivervoer wordt gebruikt.
In werkelijkheid werd de taxi echter mede voor andere (privé) ritten gebruikt.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld: dat in de systematiek van de wet belastbaarheid hoofdregel is, en een vrijstelling van belasting de uitzondering; dat dit meebrengt dat de belastingplichtige die zich op de uitzondering beroept, de bewijslast draagt voor de juistheid van zijn stelling dat hij aan de voorwaarden voor de vrijstelling voldoet; dat niet aan de hand van redelijk objectiveerbare gegevens kan worden nagegaan of van dat motorvoertuig in het naheffingstijdvak inderdaad niet meer voor privé is gebruik gemaakt dan door belanghebbende wordt verdedigd, terwijl evenmin zekerheid c.q. duidelijkheid meer valt te verkrijgen over de feitelijke verdeling van de in totaal met dat voertuig gereden kilometers over taxiritten, privé-gebruik, en niet-taxivervoer niet zijnde privé-gebruik; dat belanghebbende niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast.
3.3. Het middel dat zich richt tegen ’s Hofs oordeel dat belanghebbende niet is geslaagd in het voldoen aan de op hem rustende bewijslast, faalt, aangezien dit oordeel berust op de aan het Hof voorbehouden keuze en waardering van de bewijsmiddelen. Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is op 29 november 2000 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren G.J. Zuurmond, F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.