ECLI:NL:HR:2000:AA8866
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- G.J. Zuurmond
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Vaststelling waardering gebruiksrecht bij verkoop onroerende zaken in ondernemingsvermogen
Belanghebbende exploiteert een landbouwbedrijf en verkocht in 1994 de economische eigendom van zijn woonhuis met erf en landbouwgrond. In de koopakte werd een gebruiksrecht voor agrarisch gebruik tot augustus 2000 voorbehouden, zonder dat hiervoor een prijs werd bedongen. Belanghebbende nam de vordering van de koopsom op de balans op nominale waarde, terwijl de Inspecteur deze op contante waarde stelde en de renteaangroei als winst rekende.
Het hof oordeelde dat goed koopmansgebruik vereist dat een vordering zonder rente en met uitgestelde opeisbaarheid op contante waarde moet worden gewaardeerd en dat het voorbehouden gebruiksrecht geen invloed had op deze waardering. Ook stelde het hof dat voor het gebruiksrecht geen aanschaffingskosten waren gemaakt omdat geen prijs was bedongen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd bij de beoordeling van de aanschaffingskosten van het gebruiksrecht. Volgens vaste rechtspraak mag een belastingplichtige de kosten voor het verkrijgen van een gebruiksrecht activeren en afschrijven. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar het hof voor nader onderzoek of voor het gebruiksrecht aanschaffingskosten zijn gemaakt.
De Hoge Raad veroordeelt tevens de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het cassatiegeding en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed aan belanghebbende.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor nader onderzoek naar de aanschaffingskosten van het gebruiksrecht.