3.3 Het middel heeft betrekking op de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 15 juni 2009. Het proces-verbaal van die zitting vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende.
"De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:
Ik word door anderen ook wel [verdachte] genoemd. Voor mijn detentie had ik geen werk. Ik ben afgekeurd.
[Medeverdachte] is mijn zoon. Hij wordt door anderen ook wel [medeverdachte] genoemd. [Betrokkene 7] is mijn broer. Hij wordt door anderen ook wel [betrokkene 7] genoemd. Na de onderhavige gebeurtenis heb ik geen contact meer gehad met [betrokkene 7]. Ik woon al heel lang in Zoetermeer. Ik kom al vanaf mijn zesde jaar in café [A], gevestigd aan de [a-straat 1] te Zoetermeer. Dit café is enkele jaren geleden overgenomen door [betrokkene 5]. Ik kende deze familie voor het gebeuren. Ik ging daar wel eens een broodje eten.
Ik wist dat [betrokkene 13], de zoon van de eigenaar van café [A], een relatie was begonnen met [betrokkene 4]. Zij is de zus van [betrokkene 3]. [Betrokkene 3] is een vriend van mijn zoon [medeverdachte]. Ik wist dat [betrokkene 3] niet blij was met deze relatie.
Het is juist dat ik mij op 2 september 2007 zelf heb gemeld op het politiebureau aan het Wegstapelplein te Zoetermeer. Ik had toen een zwart vuurwapen van het merk Star, kaliber 6.35, in mijn bezit. Met dit vuurwapen heb ik op 1 september 2007 des avonds geschoten in café [A] te Zoetermeer.
Ik ben op 1 september 2007 's avonds in mijn auto van mijn woning, gevestigd aan de [c-straat] te Zoetermeer, naar café [A] gereden. Ik zat alleen in de auto toen ik daar heen reed. Op de hoek van de [d-straat] te Zoetermeer, in de buurt van café [A], heb ik mijn auto geparkeerd.
Ik ben vóór middernacht daar naar toe gereden. Nadat ik mijn auto had geparkeerd en de motor van mijn auto uit had gezet, ben ik uitgestapt. Voor café [A] trof ik mijn zoon [medeverdachte] aan. Hij had mij die avond thuis gebeld om te vragen of ik hem daar wilde ophalen omdat hij zwaar was mishandeld. Ik ben dus op zijn verzoek daar naar toe gegaan. Toen ik [medeverdachte] voor het café aantrof, was mijn broer [betrokkene 7] daar ook aanwezig. Ik had vanuit huis dat zwarte vuurwapen, een pistool van het merk Star, kaliber 6.35 mm, meegenomen. Dit pistool was doorgeladen. Ik droeg dit pistool in mijn jaszak. Ik droeg die avond een zwarte jas met daaronder een blauwe trainingsbroek.
Op de vraag wat [medeverdachte] tegen mij zei toen ik hem daar aantrof, beroep ik mij op mijn verschoningsrecht. Ook op de vraag of ik daar mijn broer heb gesproken, beroep ik mij op mijn verschoningsrecht.
Op de vraag of ik samen met [medeverdachte] en/of [betrokkene 7] het café ben binnen gegaan, beroep ik mij op mijn verschoningsrecht.
Nadat ik [medeverdachte] buiten aantrof, ben ik het café binnen gegaan. Toen ik in café [A] was, heb ik mijn aandacht gericht op een aantal personen van wie ik aan de weet was gekomen, dat zij [medeverdachte] hadden mishandeld. De latere slachtoffers, waarvan in nu weet dat zij heten [betrokkene 1] en [betrokkene 2], zaten apart van elkaar bij het raam in het café. Ik kende ze daarvoor niet. Ik ben het café binnen gegaan omdat een man achter een raam van het café gebaren naar mij maakte toen ik nog buiten stond. De man gebaarde dat ik naar binnen moest komen. Het feit dat deze man die gebaren naar mij maakte en het feit dat mijn zoon daar was mishandeld, maakten mij razend en deden mij besluiten het café binnen te gaan.
Toen ik het café binnen ging, heb ik mijn aandacht op die man gericht. Toen de man mij zag in het café, pakte hij een bierglas en kwam daarmee op mij af lopen. Voorts kwam ook een andere man in een bokshouding op mij aflopen. Ik zei tegen de man met het bierglas in zijn hand dat we het buiten maar moesten uitvechten. Ik pakte vervolgens mijn doorgeladen pistool uit mijn jaszak en richtte het pistool met gestrekte arm op armhoogte op één van de slachtoffers. Ik wilde vervolgens op de benen van de man met het bierglas schieten of op de grond voor hem. Ik werd echter door iemand besprongen. Omdat ik besprongen werd en omdat ik nogal dikke vingers heb, is het pistool afgegaan.
Ik heb 2 à 3 kogels afgevuurd.
U houdt mij voor dat bij één slachtoffer twee kogels in het lichaam zijn aangetroffen en dat bij het andere slachtoffer één kogel in zijn lichaam is aangetroffen.
Ik bestrijd niet dat de kogels die i n de lichamen van de slachtoffers zijn aangetroffen, door mij zijn afgevuurd.
Ook bestrijd ik niet dat de 3 hulzen, die in café [A] zijn aangetroffen, afkomstig zijn van de kogels die ik heb afgevuurd.
Nadat ik de schoten had gelost, heb ik mij al vechtend een weg uit het café moeten banen. Vervolgens ben ik met mijn auto naar huis gereden. Op de vraag of [medeverdachte] toen met mij is meegereden, beroep ik mij op mijn verschoningsrecht. Op de vraag of ik [betrokkene 7] heb gezien toen ik het café verliet, beroep ik mij op mijn verschoningsrecht.