ECLI:NL:HR:2001:AA9561

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 januari 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R00/128HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H.J. Mijnssen
  • W.H. Heemskerk
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • H.A.M. Aaftink
  • O. de Savornin Lohman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 FwArt. 327 FwArt. 350 Fw
Verwijzingen
1 uitgaand · 13 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling en faillissementsverklaring verzoeker

Verzoeker werd door de Rechtbank Utrecht onder de schuldsaneringsregeling geplaatst bij vonnis van 3 augustus 1999. De bewindvoerder verzocht vervolgens om beëindiging van deze regeling en benoeming van een curator en rechter-commissaris, omdat verzoeker na beëindiging van de regeling automatisch failliet zou zijn.

De Rechtbank besloot op 23 augustus 2000 tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling en benoemde een curator en rechter-commissaris. Verzoeker ging hiertegen in hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam, dat het vonnis van de Rechtbank bekrachtigde op 12 september 2000.

Verzoeker stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van verzoeker faalden en verwierp het beroep, waarmee het arrest van het hof definitief werd bevestigd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de beëindiging van de schuldsaneringsregeling en de faillissementsverklaring van verzoeker.

Uitspraak

19 januari 2001
Eerste Kamer
Nr. R00/128HR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoeker], wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. M.J. van Basten Batenburg.
1. Het geding in feitelijke instanties
Bij vonnis van 3 augustus 1999 heeft de Rechtbank te Utrecht op de voet van art. 287 Fw Pro. de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van verzoeker tot cassatie - verder te noemen: verzoeker - en mr. A.C. Huisman tot bewindvoerder benoemd.
De bewindvoerder heeft bij brief van 9 maart 2000 verzocht de toepassing van de schuldsaneringsregeling bij vonnis te beëindigen en een rechter-commissaris en een curator te benoemen, aangezien verzoeker vanaf het moment dat de beëindiging in kracht van gewijsde is gegaan, van rechtswege in staat van faillissement verkeert.
Na behandeling ter terechtzitting van 22 augustus 2000 heeft de Rechtbank bij vonnis van 23 augustus 2000 de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd, mr. T.J. Jansen Schoonhoven tot rechter-commissaris benoemd en mr. A.C. Huisman tot curator.
Tegen dit vonnis heeft verzoeker hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Hij heeft verzocht het vonnis van de Rechtbank te Utrecht van 23 augustus 2000 te vernietigen en alsnog de schuldsaneringsregeling op verzoeker van toepassing te verklaren, met benoeming van een andere bewindvoerder en in het geval de schuldsaneringsregeling wel beëindigd dient te blijven, met de benoeming van een andere curator dan door de Rechtbank is benoemd.
Na behandeling ter terechtzitting van 12 september 2000 heeft het Hof bij arrest van diezelfde datum de beslissing waarvan beroep bekrachtigd.
Het arrest van het Hof aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft verzoeker beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De bewindvoerder heeft bij brief van 18 oktober 2000 op het verzoekschrift tot cassatie gereageerd.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De middelen falen op de gronden uiteengezet in de conclusie van de Advocaar-Generaal Langemeijer.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen, als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 19 januari 2001.