ECLI:NL:PHR:2004:AO1991
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling spoeduithuisplaatsing en hoorrecht ouders in jeugdbeschermingszaak
De zaak betreft een verzoek tot cassatie door de moeder van een minderjarig kind tegen een beschikking tot spoeduithuisplaatsing. Het kind was reeds onder toezicht gesteld en er waren ernstige zorgen over diens welzijn, waaronder vermoedens van mishandeling door de partner van de moeder. De kinderrechter verleende op 7 februari 2003 een machtiging tot spoeduithuisplaatsing voor drie maanden vanwege onmiddellijk en ernstig gevaar.
De moeder stelde dat zij onvoldoende gelegenheid had gekregen om te worden gehoord, hetgeen in strijd zou zijn met artikel 6 en Pro 8 EVRM. Het hof bekrachtigde de beschikking en oordeelde dat de moeder en haar partner wel degelijk waren opgeroepen en dat hun advocaat het woord voerde, waarmee aan het vereiste van hoor en wederhoor was voldaan. Tevens werd overwogen dat het achterwege laten van het voorafgaand horen gerechtvaardigd was door het spoedeisende karakter en het gevaar voor het kind.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk omdat de geldigheidsduur van de machtiging was verstreken, waardoor de moeder geen belang meer had. In de inhoudelijke bespreking bevestigde de Hoge Raad dat het verzuim van de kinderrechter om ouders vooraf te horen kan worden hersteld in hoger beroep, en dat spoeduithuisplaatsingen zonder voorafgaand verhoor zijn toegestaan mits zij gerechtvaardigd zijn door de omstandigheden. De procedurele waarborgen van artikel 8 EVRM Pro worden gewaarborgd door de mogelijkheid tot hoger beroep en het horen van ouders binnen twee weken na de beschikking.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang na afloop van de machtiging spoeduithuisplaatsing.