Conclusie
4. De beoordeling
5.De beslissing
2.Ontvankelijkheid
nietheeft toegepast, of (c) zo fundamentele rechtsbeginselen heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken [8] .
3.Bespreking cassatiemiddel
discretionaire bevoegdheidvan de r-c bij een dergelijk verzoek. Om de analogie met het faillissementsrecht door te trekken citeer ik de wetsgeschiedenis van art. 21 aanhef Pro en onder 2o Fw in samenhang met art. 67 Fw Pro (een appelverbod ten aanzien van onder andere een beschikking van de r-c i.d.z.v. art. 21 aanhef Pro en onder 2o Fw) [38] :
van rechtswegeaan de schuldenaar toekomende inkomsten (zie het citaat hiervoor in 3.4). De r-c is niet bevoegd om van het bepaalde in art. 295 lid 2 Fw Pro in verbinding met art. 475d Rv af te wijken [40] .
nietbeslist dat op de voet van art. 317 Fw Pro een aanpassing van het vrij te laten bedrag zou kunnen worden bewerkstelligd en langs die weg in appel kan worden gegaan. Het ging in dat arrest om een ‘wooncompensatie’ waarvan de bewindvoerder wenste dat deze de schuldenaar werd opgelegd in een schuldsaneringsregeling. Dat betrof een maandelijks bedrag dat de schuldenaar moest betalen aan de boedel ter compensatie van de hoge (door de boedel betaalde) huur. Dat bedrag ging ten koste van het vrij te laten bedrag. De door de bewindvoerder op dit punt gewenste regeling was door de rechter-commissaris getroffen in een beschikking van 7 juli 2017 gegeven naar aanleiding van een vraag in het eerste verslag van de bewindvoerder. In het arrest is toen beslist – samengevat – dat de rechtbank op juiste en begrijpelijke wijze had geoordeeld dat de beroepstermijn tegen de beschikking van de r-c was verlopen en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was (rov. 3.4.4) en dat de rechtbank ook anderszins niet aan een inhoudelijke beoordeling hoefde toe te komen (rov. 3.5). In citeer rov. 3.6:
los van de context– dit ook zo kunnen worden gelezen dat art. 317 Fw Pro een algemene mogelijkheid geeft aan de schuldenaar om een wijziging van de beschikkingen van de r-c te vragen met betrekking tot het vrij te laten bedrag (dus ook als het gaat om art. 295 lid 3 Fw Pro). Nu het in deze zaak echter niet ging om een beschikking ex art. 295 lid 3 Fw Pro, lijkt mij hierin geen andere beslissing te lezen dan in de beschikking van 30 oktober 2009 [43] (waar in het arrest blijkens het citaat van rov. 3.6 ook naar wordt verwezen, zij het voorafgegaan door de aanduiding ‘vgl.’). Ook anderen lezen de beschikking op de hier bepleite wijze [44] . Als de Hoge Raad dit anders had bedoeld, dan is het aannemelijk dat dat er duidelijk had gestaan, gelet op het gegeven dat met dat oordeel dan rechtstreeks zou worden ingegaan tegen de bedoeling van de wetgever, te weten het appelverbod in art. 315 lid 2 Fw Pro waarin art. 295 lid 3 Fw Pro wordt vermeld [45] .