ECLI:NL:HR:2001:AB0506
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- G.J. Zuurmond
- A.E. de Moor
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen heffing omzetbelasting bij ontbreken onttrekking in Nederland
Belanghebbende werd door de Inspecteur uitgenodigd tot betaling van omzetbelasting over een partij melkpoeder die via extern communautair douanevervoer van Nederland naar Frankrijk was vervoerd. Het Hof vernietigde de uitnodiging en de uitspraak van de Inspecteur, oordeelde dat geen onttrekking aan de douaneregeling in Nederland had plaatsgevonden en dat daardoor geen heffing van omzetbelasting bij invoer aan de orde was.
De Staatssecretaris stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad overwoog dat het begrip 'onttrekking' in artikel 18, lid 1, letter c, van de Wet op de omzetbelasting 1968 niet verder reikt dan de fysieke onttrekking zoals bedoeld in het Communautair douanewetboek en dat formele tekortkomingen niet als onttrekking gelden. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het niet mogelijk is om op grond van het douanerecht de plaats van invoer te bepalen indien deze niet exact vaststaat, maar dat de omzetbelasting verschuldigd is in de lidstaat waar de onttrekking plaatsvindt.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten. Hiermee werd bevestigd dat geen omzetbelasting verschuldigd is omdat de goederen niet in Nederland aan een douaneregeling zijn onttrokken.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd dat geen omzetbelasting verschuldigd is wegens het ontbreken van onttrekking in Nederland.