ECLI:NL:HR:2002:AD8737
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- J.P. Balkema
- B.C. de Savornin Lohman
- E.J. Numann
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken vergunning milieu-inrichting ondanks gedoogbeschikking
De zaak betreft een strafrechtelijk beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd vrijgesproken van het zonder vergunning in werking hebben van een inrichting voor gevaarlijke afvalstoffen.
De verdachte had de activa van een bedrijf overgenomen dat beschikte over een milieuvergunning, maar zelf beschikte zij niet over een vergunning. Wel was er een gedoogbeschikking afgegeven door de gemeente Amsterdam, waardoor de activiteiten werden gedoogd zolang de nieuwe vergunning nog niet was verleend.
Het hof oordeelde dat onvoldoende bewijs bestond dat verdachte zonder vergunning handelde, mede omdat er geen analyserapporten van opgeslagen of overgeslagen gevaarlijke stoffen waren. Het hof stelde dat de gedoogbeschikking dezelfde kracht als een vergunning had, wat de Hoge Raad onjuist achtte.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van de Advocaat-Generaal niet-ontvankelijk omdat het hof niet van iets anders had vrijgesproken dan ten laste was gelegd. Tevens benadrukte de Hoge Raad dat een gedoogbeschikking geen strafuitsluitende vergunning is en dat het openbaar ministerie zelfstandig kan beslissen over strafvervolging ondanks een gedoogbeschikking.
De Hoge Raad bevestigde daarmee de vrijspraak van verdachte wegens ontbreken van voldoende bewijs voor het zonder vergunning exploiteren van de inrichting.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van bewijs voor het zonder vergunning exploiteren van een inrichting ondanks gedoogbeschikking.