ECLI:NL:HR:2002:AE2508

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juli 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R01/128HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • P. Neleman
  • A.G. Pos
  • P.C. Kop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 3 sub c en e FaillissementswetArt. 81 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging definitieve schuldsaneringsregeling en faillissementsverklaring

De Rechtbank te 's-Gravenhage sprak op 5 september 2001 de toepassing van de definitieve schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van de schuldenaar en benoemde een bewindvoerder en rechter-commissaris.

De bewindvoerder verzocht vervolgens de rechtbank om beëindiging van de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 350 lid 3 sub c en Pro e van de Faillissementswet. Dit verzoek werd op 20 september 2001 afgewezen door de rechtbank.

De bewindvoerder stelde hoger beroep in bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, dat bij arrest van 6 november 2001 het vonnis van de rechtbank vernietigde en de schuldsaneringsregeling beëindigde. Tevens verklaarde het hof de schuldenaar in staat van faillissement.

De schuldenaar stelde beroep in cassatie tegen dit arrest. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en verwierp het beroep zonder nadere motivering, conform artikel 81 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en op 12 juli 2002 openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof dat de schuldsaneringsregeling beëindigt en faillissement uitspreekt, blijft in stand.

Uitspraak

12 juli 2002
Eerste Kamer
Nr. R01/128HR
MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoeker], handelende onder de naam [...], wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. M.H. van 't Hof,
t e g e n
Mr. Drs. Serge Nicolaas VLAAR, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [verzoeker], wonende te 's-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij.
1. Het geding in feitelijke instanties
Bij vonnis van 5 september 2001 heeft de Rechtbank te 's-Gravenhage ten aanzien van verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de schuldenaar - de toepassing van de definitieve schuldsaneringsregeling uitgesproken met benoeming van verweerder in cassatie - verder te noemen: de bewindvoerder - tot bewindvoerder en mr. A.C.M. Höppener tot rechter-commisaris.
De bewindvoerder heeft op 7 september 2001 de Rechtbank verzocht de toepassing van de schuldsaneringsregeling op de voet van art. 350 lid 3 sub c en Pro e F. te beëindigen.
De Rechtbank heeft bij vonnis van 20 september 2001 het verzoek afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft de bewindvoerder hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 6 november 2001 heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank van 20 september 2001 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de toepassing van de definitieve schuldsaneringsregeling zoals uitgesproken bij vonnis van 5 september 2001 beëindigd, en de schuldenaar in staat van faillissement verklaard.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft de schuldenaar beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De bewindvoerder heeft bij verweerschrift verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.G. Pos en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 12 juli 2002.