Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2002:AE7857

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 september 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
37128
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • E. Korthals Altes
  • L. Monné
  • C.J.J. van Maanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 Wet waardering onroerende zaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling waardering drijvende steigers als gebouwde eigendommen voor onroerendezaakbelasting

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde waarde van een onroerende zaak, bestaande uit een jachthaven met drijvende steigers, voor het tijdvak 1997-2000. De directeur gemeentebelastingen stelde de waarde bij, waarna het Hof deze uitspraak bevestigde. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Hof.

Het Hof oordeelde dat de drijvende steigers als werken zijn aan te merken die duurzaam ter plaatse blijven en derhalve als gebouwde eigendommen in de zin van artikel 16 van Pro de Wet waardering onroerende zaken moeten worden beschouwd. Dit oordeel is niet onjuist, onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd en kan in cassatie niet worden getoetst.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en bevestigde dat de waarde van de jachthaven terecht de waarde van de steigers omvat. Er werden geen proceskosten aan de partijen opgelegd. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 20 september 2002.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de waardering van de drijvende steigers als gebouwde eigendommen bevestigd.

Uitspraak

Nr. 37.128
20 september 2002
cl
gewezen op het beroep in cassatie van de Stichting X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 3 april 2001, nr. BK-99/01600, betreffende na te melden beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken.
1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Z voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 vastgesteld op ƒ a.
Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de directeur der gemeentebelastingen van de gemeente 's-Gravenhage bij uitspraak de waarde nader vastgesteld op ƒ b.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Gravenhage heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Gravenhage heeft een conclusie van dupliek ingediend.
3. Beoordeling van het middel
Met hetgeen het Hof in 6.4 en 6.5 van zijn uitspraak heeft overwogen, heeft het, mede gelet op de verwijzing in 6.3 naar het arrest van de Hoge Raad van 23 februari 1994, nr. 28837, BNB 1994/135, tot uitdrukking gebracht dat naar zijn oordeel de drijvende steigers moeten worden aangemerkt als werken die naar hun aard en inrichting bestemd zijn om duurzaam ter plaatse te blijven, en dus als gebouwde eigendommen in de zin van artikel 16 van Pro de Wet waardering onroerende zaken. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
Derhalve is in de bij de onderhavige beschikking vastgestelde waarde van de jachthaven - een samenstel, in de zin van dat artikel, van ongebouwd eigendom en gebouwde eigendommen - terecht de waarde van die steigers begrepen. Het middel faalt derhalve.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2002.