ECLI:NL:HR:2003:AF3254
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- H.A.M. Aaftink
- D.H. Beukenhorst
- O. de Savornin Lohman
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt formele rechtskracht van omzetbelastingheffing ondanks onjuiste uitleg EU-richtlijn
Game Amusement B.V. voerde in cassatie aan dat de heffing van omzetbelasting over de jaren 1988 tot en met 1992 onrechtmatig was omdat de Staatssecretaris van Financiën een onjuiste maatstaf hanteerde, gebaseerd op een resolutie van 1988 die niet in overeenstemming was met de Zesde Richtlijn van de EU. De belastingdienst had de omzetbelasting berekend over de bruto-inzet van speelautomaten, terwijl het Hof van Justitie later oordeelde dat alleen de netto-opbrengst belastbaar was.
De rechtbank en het hof hadden de vorderingen van Game afgewezen, waarbij het hof benadrukte dat de formele rechtskracht van de belastingaanslagen geldt omdat Game niet tijdig bezwaar had gemaakt. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat de formele rechtskracht niet wordt doorbroken door een onjuiste uitleg van de EU-richtlijn in de resolutie van 1988.
De Hoge Raad overweegt dat het nationale recht en het gemeenschapsrecht verenigbaar zijn met het systeem van formele rechtskracht en de termijnen voor bezwaar en beroep, ook als achteraf blijkt dat de heffing in strijd was met het EU-recht. Er is geen grond voor een uitzondering, omdat Game niet tijdig gebruik heeft gemaakt van de beschikbare rechtsmiddelen. De uitspraak bevestigt het belang van rechtszekerheid en het respecteren van termijnen in belastingzaken.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de formele rechtskracht van de omzetbelastingaanslagen.