ECLI:NL:HR:2003:AF5822

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 maart 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
37797
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand · 6 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt vermindering naheffingsaanslag en boete kansspelbelasting

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag kansspelbelasting en een boete opgelegd over de periode 1 januari 1998 tot en met 10 september 1999. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur deze aanslag en boete. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat de aanslag en boete verlaagde op basis van een lagere personeelsbezetting dan door de Inspecteur aangenomen.

Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in tegen het Hofvonnis. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van belanghebbende niet tot cassatie konden leiden, mede omdat zij geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten. Het incidentele beroep van de Staatssecretaris werd eveneens ongegrond verklaard.

De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof dat het aantal personeelsleden bij de berekening van het belastbare bedrag lager was dan door de Inspecteur aangenomen. Ook werd geoordeeld dat de Inspecteur niet had gesteld dat een correctie van het aantal personeelsleden gevolgen had voor de gehanteerde berekeningsmethode. De Hoge Raad achtte geen reden voor proceskostenveroordeling.

Het arrest werd gewezen door raadsheren Lourens, Bavinck en Van den Berge en op 14 maart 2003 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep en het incidentele beroep ongegrond en bevestigt de vermindering van naheffingsaanslag en boete.

Uitspraak

Nr. 37797
14 maart 2003
IR
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (België) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 oktober 2001, nr. BK 00/00732, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de kansspelbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking.
1. Naheffingsaanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1998 tot en met 10 september 1999 een naheffingsaanslag in de kansspelbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 262.658, alsmede een boete van ƒ 208.491. De naheffingsaanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraken waarvan beroep vernietigd, de naheffingsaanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een bedrag van ƒ 199.813, en de boete verminderd tot een bedrag van ƒ 157.954. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Na het verstrijken van de cassatietermijn heeft belanghebbende zijn beroepschrift met nog een aantal geschriften aangevuld. Nu deze te laat zijn ingediend, kan daarop geen acht worden geslagen.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Het desbetreffende geschrift is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft het incidentele beroep beantwoord en in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het in het incidentele beroep voorgestelde middel
4.1. Het Hof heeft belanghebbende geslaagd geacht in het overtuigend aantonen van de onjuistheid van het door de Inspecteur bij de berekening van het belastbare bedrag in aanmerking genomen totaal nettoloon en vakantiegeld. De Inspecteur was bij zijn berekening uitgegaan van 10 full-time personeelsleden. Op grond van de verklaringen van de op verzoek van belanghebbende en de Inspecteur gehoorde getuigen is het Hof echter tot de conclusie gekomen dat een aantal van zes full-timers de waarheid meer nabij komt. Voorzover het middel zich tegen dat oordeel richt, faalt het. Het bestreden oordeel berust op de aan het Hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen. Het is ook niet onbegrijpelijk, nu, anders dan waarvan het middel uitgaat, uit 's Hofs uitspraak niet blijkt dat het Hof uit de getuigenverklaringen heeft afgeleid dat gemiddeld zes personeelsleden per avond werkzaam waren voor belanghebbende.
4.2. Het middel faalt ook voorzover het betoogt dat het Hof heeft miskend dat indien de Inspecteur niet zou worden gevolgd op het punt van het bij de berekening van de brutospelopbrengst in aanmerking te nemen aantal personeelsleden, de door de Inspecteur gehanteerde berekeningsmethode en de daarbij gehanteerde overige aannamen niet langer opgeld deden. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat de Inspecteur zich voor het Hof op dat standpunt heeft gesteld. Ook uit de aard van de gehanteerde berekeningsmethode volgt niet dat een correctie van het aantal personeelsleden vorenbedoelde consequentie zou moeten hebben.
5. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad verklaart zowel het principale beroep van belanghebbende als het incidentele beroep van de Staatssecretaris ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P. Lourens als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2003.