Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2003:AF6127

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 maart 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
37981
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • G.J. Zuurmond
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20a lid 1 Wet op de vennootschapsbelasting 1969
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen aftrek van afkoopsommen als verkoopkosten bij deelnemingsverkoop

Belanghebbende verkocht op 11 september 1997 haar deelneming in A B.V. aan B B.V. De koopovereenkomst bevatte de voorwaarde dat de deelneming pas zou worden overgedragen nadat het zittende management was ontslagen, omdat de koper een eigen management wilde benoemen. In verband met dit ontslag betaalde belanghebbende twee afkoopsommen ter hoogte van in totaal ƒ 325.150.

De Inspecteur stelde het verlies over het boekjaar 1997/1998 vast en weigerde de afkoopsommen als aftrekbare verkoopkosten te erkennen. Belanghebbende maakte bezwaar, dat werd afgewezen, waarna beroep werd ingesteld bij het Hof. Het Hof bevestigde het standpunt van de Inspecteur dat de afkoopsommen niet ten laste van de winst konden worden gebracht maar moesten worden meegenomen bij de berekening van het deelnemingsresultaat.

Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Hof. De Hoge Raad overwoog dat salariskosten van werknemers van een dochtermaatschappij, ook ontslagkosten, die door de moedermaatschappij worden gedragen, moeten worden gezien als informele kapitaalstortingen. Daarom was het oordeel van het Hof dat de afkoopsommen niet aftrekbaar zijn als verkoopkosten juist. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard en de proceskosten werden niet aan een van de partijen opgelegd.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de afkoopsommen niet aftrekbaar zijn als verkoopkosten.

Uitspraak

Nr. 37.981
21 maart 2003
RB
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 19 november 2001, nr. 00/00193, betreffende na te melden beschikking als bedoeld in artikel 20a, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
De Inspecteur heeft, gelijktijdig met het vaststellen van de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het boekjaar 1997/1998, het bedrag van het verlies van dat jaar bij beschikking vastgesteld op ƒ 30.135. De beschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Op 11 september 1997 heeft belanghebbende haar deelneming in A B.V. (hierna: de deelneming) verkocht aan B B.V. (hierna: B). B heeft bij de koop bedongen dat belanghebbende de deelneming overdraagt nadat het zittende management is ontslagen, omdat B een eigen management wenste te benoemen. In verband met het ontslag van het management zijn ten laste van belanghebbende twee afkoopsommen betaald ten bedrage van in totaal ƒ 325.150.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de afkoopsommen geen aftrekbare verkoopkosten van de deelneming vormen en niet ten laste van belanghebbendes winst kunnen worden gebracht maar in aanmerking moeten worden genomen bij de
berekening van het bij de verkoop behaalde deelnemingsresultaat.
3.3 Indien de salariskosten van werknemers van een dochtermaatschappij, ook die met betrekking tot het ontslag van die werknemers, worden gedragen door de moedermaatschappij, moeten deze kosten worden beschouwd als informele kapitaalstortingen van die moedermaatschappij in de dochtermaatschappij. Hieruit volgt dat het Hof, wat er zij van zijn overwegingen, terecht heeft geoordeeld dat de onderhavige kosten niet ten laste van belanghebbendes winst kunnen worden gebracht. De van een andere opvatting uitgaande middelen falen derhalve.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2003.