ECLI:NL:HR:2003:AF6689

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 mei 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C01/302HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep in civiele geldvordering wegens onvoldoende gronden

Eisers hebben een geldvordering ingesteld tegen verweerders bij de Rechtbank Utrecht, waarbij zij een bedrag van ƒ 92.780,06 vorderden, vermeerderd met wettelijke rente. De Rechtbank stond bewijslevering toe en stelde verdere beslissing uit. Verweerders gingen in hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam en verhoogden de vordering tot ƒ 95.049,--.

Het Hof verwees de zaak terug naar de rol om partijen in de gelegenheid te stellen zich nader uit te laten over de schadeberekening. Tegen het arrest van het Hof stelden eisers beroep in cassatie in. De Advocaat-Generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat er geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Het beroep werd verworpen en eisers werden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eisers wordt verworpen wegens onvoldoende gronden.

Uitspraak

23 mei 2003
Eerste Kamer
Nr. C01/302HR
AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiser 1],
2. [Eiseres 2],
beiden wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. A.L.C.M. Oomen,
t e g e n
1. [Verweerder 1],
2. [Verweerster 2],
beiden wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
advocaat: mr. H.A. Groen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerders in cassatie - verder te noemen: [verweerder] c.s. - hebben bij exploit van 9 februari 1999 eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser] c.s. - gedagvaard voor de Rechtbank te Utrecht en gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] c.s. te veroordelen, hoofdelijk des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om aan [verweerder] c.s. te voldoen een bedrag van ƒ 92.780,06, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 maart 1997, althans vanaf de dag van deze dagvaarding, althans met ingang van een zodanige datum als de Rechtbank in goede justitie meent te moeten vaststellen.
[Eiser] c.s. hebben de vordering bestreden.
De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 31 mei 2000 [verweerder] c.s. tot bewijslevering toegelaten en iedere verdere beslissing aangehouden.
Tegen dit tussenvonnis hebben [verweerder] c.s. hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Daarbij hebben zij hun vordering vermeerderd tot een hoofdsom van ƒ 95.049,-- met de wettelijke rente daarover.
Bij tussenarrest van 5 juli 2001 heeft het Hof - onder aanhouding van iedere verdere beslissing - de zaak naar de rol verwezen om partijen in de gelegenheid te stellen zich over de schadeberekening nader uit te laten.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
[Verweerder] c.s. hebben de zaak doen toelichten door hun advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van eisers tot cassatie in hun beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op € 942,14 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.G. Pos en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 23 mei 2003.