ECLI:NL:HR:2003:AF8844
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- H.A.M. Aaftink
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- P.C. Kop
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Betaling door zoon aan vader bij bedrijfsovername en faillissement: geen schuldoverneming jegens bank
In deze zaak stond centraal of een betaling van ƒ 49.000,-- door de zoon aan de rekening van zijn failliete vader kon worden aangemerkt als voldoening van een schuld aan ING Bank. De vader had zijn autoschadeherstelbedrijf verkocht aan zijn zoon, waarbij de koopsom was verrekend en de activa waren overgedragen. Na het faillissement van de vader stelde de curator dat de betaling door de zoon een betaling aan de vader betrof en niet aan de bank.
De rechtbank en het hof stelden vast dat de betaling was gedaan op een rekening die op naam van de vader stond en dat de omschrijving op het overschrijvingsformulier verwees naar de overname van het bedrijf door de zoon. Het hof oordeelde dat er geen sprake was van een voltooide schuldoverneming en dat de betaling niet kon worden gezien als voldoening van een eigen schuld van de zoon aan de bank.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van ING Bank. De Hoge Raad benadrukte dat de feitelijke vaststelling van het hof dat de betaling aan de vader was gedaan, niet onbegrijpelijk was en dat de stelling van de bank onvoldoende grondslag had. Daarmee werd de vordering van de curator toegewezen en werd ING Bank veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de betaling door de zoon aan de vader was gedaan en niet aan de bank.