Conclusie
handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”,
vanen onderzoek
inverdachte’s schoudertas een speelgoedpistool (klappertjespistool) aangetroffen van het merk Gonher, type 46, niet gefabriceerd van plastic, maar van metaal, zijnde een voorwerp dat (ook anderszins) gelijkenis vertoont met een echt vuurwapen.
hij op 15 april 2014 te Amsterdam heeft gedragen een klappertjes speelgoedpistool, merk Gonher, type 46, waarvan, gelet op de omstandigheden waaronder dat voorwerp werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat dat voor geen ander doel was bestemd dan om te dreigen.”
Het is verboden een wapen van de categorieën II, III en IV te dragen”), die onder meer van toepassing is op wapens van categorie IV, sub 7o, te weten “
Voorwerpen waarvan, gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder zij worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij zijn bestemd om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen en die niet onder een van de andere categorieën vallen.” Handelen in strijd met art. 27, eerste lid, Wwm betreft een overtreding. [3]
de omvang en de ontvankelijkheid van het beroep.
1. Tegen de arresten van de gerechtshoven, als uitspraak gegeven, betreffende misdrijven staat beroep in cassatie open voor het openbaar ministerie bij het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan, en de verdachte.
betreffendemisdrijven, ongeacht welke (eind)uitspraak dat is. Dat geldt ook voor arresten van gerechtshoven, als uitspraak gegeven,
betreffendeovertredingen,
tenzijdie overtreding kort gezegd moet worden aangemerkt als een ‘bagatel’. Dat is het geval indien in het arrest ter zake van die overtreding (a) met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel werd opgelegd of (b) geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum – of wanneer bij het arrest twee of meer geldboetes zijn opgelegd, tot een gezamenlijk maximum – van 250 euro.
NJ1952/4 m.nt. Pompe. Het arrest betrof een geval waarin primair een overtreding en subsidiair een misdrijf was ten laste gelegd. De (economische) politierechter had de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde ontslagen van alle rechtsvervolging (en vervolgens verzuimd het subsidiair ten laste gelegde te berechten). De Hoge Raad overwoog dat hoger beroep was toegelaten
indien een t.l.l. van niet gevoegde feiten mede een feit betreft ter zake waarvan een gewezen uitspraak aan hoger beroep zou zijn onderworpen; en dat nu het subsidiair telastgelegd feit een misdrijf betreft het Hof krachtens art. 68 jo Pro. Art. 56 RO Pro (…) het hoger beroep ontvankelijk had behoren te verklaren.”
NJ2001/382 oordeelde het gerechtshof:
Voor de beantwoording van de vraag of tegen het vonnis in eerste aanleg hoger beroep openstaat, is de tenlastelegging het uitgangspunt[en dus
niet de uitspraak, D.A.]
. Primair is een overtreding ten laste gelegd en kennelijk subsidiair een misdrijf. De Rechtbank heeft verdachte veroordeeld terzake het primair ten laste gelegde, de overtreding.
Kort gezegd valt uit dit arrest namelijk te destilleren dat het voor de ontvankelijkheid van het appel niet uitmaakt of — zoals normaliter — een tenlastelegging primair een misdrijf behelst en subsidiair een overtreding, dan wel andersom, en dat het er evenmin toe doet of in het laatst bedoelde geval in eerste aanleg een veroordeling is gevolgd voor de primair tenlastegelegde overtreding, omdat de bevoegdheid van het hof om kennis te nemen van de zaak erin is gelegen dát mede een misdrijf is tenlastegelegd en een latere rechter nu eenmaal kan 'geraken tot een andere beslissing dan de eerste rechter omtrent een primair telastegelegd feit, ingevolge welke nog een subs. telastegelegd feit zal behoren te worden onderzocht'.”
Aldus heeft het Hof terecht en op goede gronden beslist dat het Openbaar Ministerie in hoger beroep ontvankelijk was en het Hof bevoegd was van de zaak kennis te nemen (vgl. HR 23–10–1951, NJ 1952, 4).”
Tegen arresten van de gerechtshovenvoor zover betreffendeeen of meer overtredingen staat beroep in cassatie open (…), tenzij terzake in de einduitspraak: (…)”, waarop de huidige – toen nog in 500 guldens uitgedrukte – cassatiedrempel volgde (onderstreping mijnerzijds). Sluimerend werd hiermee het bestaande uitgangspunt van het rechtsmiddelenstelsel ondergraven, namelijk dat de tenlastelegging en de aard van de ten laste gelegde delicten leidend zijn voor de beroepsmogelijkheden, en niet de uitspraak waartegen wordt opgekomen. [14]
3.1. Het cassatieberoep betreft de veroordeling inzake van de hiervoor onder 1 vermelde overtreding. Ingevolge art. 68 (oud) RO staat tegen een arrest van een gerechtshof voorzover betreffende een of meer overtredingen beroep in cassatie open, tenzij terzake in de einduitspraak met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel is opgelegd, dan wel geen andere straf of maatregel is opgelegd dan een geldboete tot een (gezamenlijk) maximum van vijfhonderd gulden, alles behoudens indien het gaat om een overtreding van een verordening van een provincie, een gemeente, een waterschap of een met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen ingesteld openbaar lichaam.
voor zover betreffende” een of meer bagatelovertredingen.
", zoals die voorkomt in art. 427 lid 1 Sv Pro bezwaarlijk worden gelezen als "arresten van de gerechtshoven, als uitspraak gewezen, houdende veroordeling wegens misdrijf
". Hetzelfde geldt voor de niet wezenlijk andere formulering in art. 404 lid 1 Sv Pro. Anders immers zou het OM niet van een niet-ontvankelijkheid, een vrijspraak of een o.v.a.r in hoger beroep of cassatie kunnen komen. Ook een arrest of vonnis waarbij de verdachte van het misdrijf wordt vrijgesproken, is dus een arrest of vonnis "betreffende
" misdrijf. [17]
elkeuitspraak van gerechtshoven staat op de normale voet cassatieberoep open, dus ook in geval van o.v.a.r. of vrijspraak, uitgezonderd uitspraken betreffende overtredingen in de bagatelcategorieën van (thans) art. 427, tweede lid, Sv.
3.3. In aanmerking genomen dat de verdachte is vrijgesproken van het telkens primair tenlastegelegde, en dat het beroep weliswaar onbeperkt is ingesteld maar dat niet blijkt dat de verdachte een rechtens te respecteren belang heeft bij het instellen van beroep in cassatie tegen deze vrijspraak, zodat hij in zoverre in dat beroep niet-ontvankelijk zou dienen te worden verklaard, neemt de Hoge Raad aan dat het beroep zich niet richt tegen die vrijspraak doch uitsluitend tegen de veroordeling ter zake van de telkens subsidiair tenlastegelegde overtreding (vgl. HR 25 juni 2002, LJN AE3572).
mogelijkhedenmede bepaald door de omvang van het beroep zelf.
implicietprimair ten laste gelegde economische misdrijven, doch wél tegen de veroordelingen voor de impliciet subsidiair ten laste gelegde (economische) overtredingen, waarbij de cassatiedrempel wél was overschreden. De Hoge Raad verklaarde ter zake van die overtredingen het OM op grond van verjaring niet-ontvankelijk in de strafvervolging.
nietaan dat de vrijspraak van de voorbedachte raad buiten het (onbeperkt ingestelde) beroep in cassatie was gebleven, ofschoon de vrijspraak van de pogingen tot moord de verdachte ongetwijfeld welgevallig was. Ik citeer de Hoge Raad:
In de onderhavige zaak gaat het om een (partiële) vrijspraak van het primair tenlastegelegde[poging tot moord, D.A.]
en een veroordeling ter zake het subsidiair tenlastegelegde[poging tot doodslag, opgenomen in dezelfde tenlastelegging als de poging tot moord, D.A.]
, welke vrijspraak blijkens de cassatie-akte niet op de voet van art. 429 Sv Pro is uitgezonderd van het onbeperkt ingestelde beroep. Anders dan in de zaken die hebben geleid tot de in de conclusie onder 8 bedoelde arresten, is hier derhalve geen sprake van een vrijspraak van een cumulatief tenlastegelegd feit. Hier doet zich niet voor een geval waarin de Hoge Raad sedert de inwerkingtreding op 1 januari 2003 van de Wet van 31 oktober 2001, Stb. 539, waarbij het in art. 430 Sv Pro neergelegde cassatieverbod inzake vrijspraken vervallen is verklaard, het door de verdachte zonder enige beperking ingestelde beroep pleegt op te vatten als niet te zijn gericht tegen de vrijspraak van het cumulatief tenlastegelegde feit.”
In aanmerking genomen dat het Hof ten aanzien van de onder 1 bewezenverklaarde overtreding heeft bepaald dat aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd, kan de verdachte - zoals terecht in de schriftuur wordt opgemerkt - in zoverre, gelet op art. 427 lid 2 onder Pro a Sv, niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen. Dat het onder 1 primair tenlastegelegde feit een misdrijf betreft, maakt dat in de visie van de Hoge Raad niet anders.”
Het Hof heeft ter zake van de onder 1 bewezenverklaarde overtreding van art. 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 bepaald dat geen straf of maatregel wordt opgelegd. In zoverre kan de verdachte - gelet op art. 427, tweede lid, Sv - in zijn beroep in cassatie niet worden ontvangen.”
onder omstandighedenbeperkt op. De toepasselijkheid van de bagatelclausule moet dus mede worden geplaatst in de sleutel van de vraag onder
welkeomstandigheden de Hoge Raad het beroep beperkt opvat.
" (Kamerstukken II 1913-1914, 286, nr. 3, p. 52).
(bijvoorbeeld)” de vrijspraak van een cumulatief ten laste gelegd feit. [20]
in andere zaken, zoals zaken met, kort gezegd, een primaire en subsidiaire tenlastelegging waarin de verdachte is veroordeeld ter zake van het subsidiair tenlastegelegde met (bijvoorbeeld) vrijspraak van het primair tenlastegelegde, (…) het beroep door de verdachte op de voet van art. 429 Sv Pro[kan]
worden beperkt tot die veroordeling.” Met andere woorden, het beroep
kanna een vrijspraak voor het primair ten laste gelegde worden begrensd tot de veroordeling voor het subsidiair ten laste gelegde. Op de vraag of de Hoge Raad het beroep ook ambtshalve, dat wil zeggen: zonder uitdrukkelijk bij akte vastgelegde beperking, als beperkt zal ‘opvatten’, geeft deze overweging echter geen antwoord. Het staat er niet letterlijk, maar de overwegingen in onderling verband suggereren tot op zekere hoogte het tegendeel.
implicietprimair-subsidiair? Dat antwoord ligt m.i. niet zo voor de hand, want elke impliciet primair-subsidiair gestructureerde tenlastelegging is te transformeren tot een expliciet primair-subsidiaire tenlastelegging (doch niet altijd andersom), waardoor dit onderscheid nogal arbitrair oogt. Waarom verwijst de Hoge Raad niet (ook) naar HR 25 september 2007, BA7654, en met name HR 15 mei 2012, BV9233, waarin de Hoge Raad weer wél had aangenomen dat het cassatieberoep zich niet richtte tegen de vrijspraak voor het primair ten laste gelegde misdrijf, doch uitsluitend tegen de veroordeling voor de subsidiair ten laste gelegde overtreding?
eerste middelkomt met een drietal klachten op tegen de bewezenverklaring van het onder 3 subsidiair ten laste gelegde.
hij op 15 april 2014 te Amsterdam heeft gedragen een klappertjes speelgoedpistool, merk Gonher, type 46, waarvan, gelet op de omstandigheden waaronder dat voorwerp werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat dat voor geen ander doel was bestemd dan om te dreigen.”
Het hof overweegt dat de verdachte, die ten tijde van de aanhouding 16 jaar oud was, het klappertjespistool in een tas heeft meegenomen naar de middelbare school waar hij les had. De verdachte heeft daarover geen nadere verklaring afgelegd anders dan dat hij het wapen op de kermis heeft gekocht. Door of namens de verdachte zijn ook overigens geen disculperende omstandigheden naar voren gebracht. Gelet op de leeftijd van de verdachte en de genoemde omstandigheden waaronder hij het wapen bij zich droeg, oordeelt het hof dat redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het speelgoedwapen dat de verdachte bij zich droeg voor geen ander doel bestemd was dan daarmee te dreigen.”
feitelijk” valt onder categorie I onder 7o en vervolgens “
ten onrechte tot de conclusie komt dat het voorwerp valt onder categorie IV onder 7o.”
nietkan worden gerubriceerd onder categorie I onder 7o, op de enkele grond dat het niet kan worden aangemerkt als een door de minister aangewezen voorwerp, en dit vanwege de toepasselijkheid van de voor speelgoedvoorwerpen geldende uitzonderingsclausule in art. 3, aanhef en onder a, Regeling wapens en munitie. [25]
Het betreft hier een voorwerp van metaal dat qua vorm, gewicht en afmeting een sprekende gelijkenis vertoont met een echt vuurwapen en is daardoor voor bedreiging of afdreiging geschikt.” Dit citaat behelst de mededeling van een (deskundige) waarneming die het hof kennelijk voor juist heeft gehouden. Deze mededeling is niet onverenigbaar met de inhoud van bewijsmiddel 3, te weten (onder meer) de volgende geverbaliseerde gevolgtrekking van diezelfde [verbalisant] , welke gevolgtrekking het hof kennelijk tot de zijne heeft gemaakt: “
Als ik uitga van de feiten en omstandigheden waarin het wapen is aangetroffen, dan kwalificeer ik het voorwerp van de verdachte als zijnde een wapen in de zin van artikel 2 lid 1 categorie Pro IV onder 7 van de Wet Wapens en Munitie.”
gelet op de omstandigheden waaronder dat voorwerp werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat dat voor geen ander doel was bestemd dan om te dreigen.” De stellers van het middel brengen hiertegen het volgende in: “
Allereerst ziet verdachte niet in waarom zijn leeftijd (mede) tot de conclusie kan leiden dat dat wapen voor geen ander doel bestemd was dan daarmee te dreigen. Voorts is geen sprake van specifieke omstandigheden die deze conclusie kunnen rechtvaardigen. Uit het arrest en de bewijsmiddelen wordt slechts duidelijk dat het klappertjespistool in de tas van verdachte zat, terwijl verdachte zich op zijn middelbare school bevond.”
datdeze voorwerpen op de betreffende locatie worden gedragen bewerkstelligt dat het wapens (kunnen) zijn.
dat redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het speelgoedwapen dat de verdachte bij zich droeg voor geen ander doel bestemd was dan daarmee te dreigen.”
tweede middelklaagt over de formulering van de bijzondere voorwaarde die het hof heeft gesteld, te weten “
dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd houdt aan de aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Nederland, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.” De stellers van het middel achten deze voorwaarde te algemeen en te onbepaald, als gevolg waarvan “
de strafoplegging” volgens hen onbegrijpelijk is, althans onvoldoende met redenen omkleed.
over de omvang van de verwijzingsopdracht van de Hoge Raad.
opgelegd”, maar de straf heeft “
bepaald” met inachtneming van het arrest van het gerechtshof d.d. 20 augustus 2015 voor zover dat na het arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2017 in stand is gebleven. Klaarblijkelijk heeft het hof analoge toepassing gegeven aan art. 423, vierde lid, Sv. Dit wetsartikel bevat een voorschrift voor de rechter in hoger beroep voor het geval bij samenloop van meer feiten één hoofdstraf is uitgesproken en het hoger beroep slechts ingesteld is ten aanzien van een of meer van die feiten.
nietin de cassatieschriftuur. [32] Die beperking kan voorts tot stand worden gebracht door een onbeperkt ingesteld beroep nadien op de wijze als voorzien in de art. 453-455 Sv gedeeltelijk in te trekken. [33]
nietgeklaagd. Wel wordt geklaagd over een onderdeel van de door het hof aldus ‘bepaalde’ straf, namelijk de formulering van de bijzondere voorwaarde. Wat de kwestie andermaal problematiseert is dat het eerste gerechtshof bij arrest van 20 augustus 2015 voor de formulering van de bijzondere voorwaarde in essentie dezelfde bewoordingen heeft gehanteerd. Daarin zag de eerste steller van het middel destijds echter géén aanleiding voor een klacht soortgelijk aan die thans aan de Hoge Raad wordt voorgelegd.
opgelegdesanctie worden getoetst op haar begrijpelijkheid, en zal langs de lat van de toepasselijke motiveringsvoorschriften worden nagetrokken of de strafoplegging toereikend is gemotiveerd. [36]
bepaalde’ sanctie is daarentegen uiterst marginaal. De toets in cassatie behelst in dat geval alleen nog de vraag of de straf die het tweede hof heeft bepaald ter zake van het delict dat buiten de procedure in cassatie is gebleven, geacht
kanworden door het eerste gerechtshof voor dat delict te zijn opgelegd.