ECLI:NL:HR:2003:AK4806

Hoge Raad

Datum uitspraak
31 oktober 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C02/111HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R. Herrmann
  • H.A.M. Aaftink
  • O. de Savornin Lohman
  • A. Hammerstein
  • P.C. Kop
  • F.B. Bakels
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42 FaillissementswetArt. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing vordering cessie in faillissement

Eiseres vorderde bij de rechtbank dat zij als rechthebbende werd erkend van vorderingen die bij akte van cessie waren overgedragen en dat de curator haar schade zou vergoeden. De rechtbank wees deze vordering af, wat door het gerechtshof werd bekrachtigd. Eiseres stelde daarop beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Het beroep werd verworpen en eiseres werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee bleef de eerdere afwijzing van haar vordering in stand, waarmee de curator niet werd verplicht tot betaling van schadevergoeding.

Deze uitspraak bevestigt de strikte toetsing van vorderingen in faillissement en het belang van duidelijke rechtsgronden voor cassatieberoepen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen en haar vordering afgewezen.

Uitspraak

31 oktober 2003
Eerste Kamer
Nr. C02/111HR
JMH/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. L.A. van der Niet,
t e g e n
Mr. E.G.M. VAN DEN HEUVEL, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [A] B.V.,
wonende te Tilburg,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. G.C. Makkink.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploot van 11 februari 1999 verweerder in cassatie - verder te noemen: de curator - gedagvaard voor de rechtbank te Breda en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat [eiseres] rechthebbende is geworden op de bij akte van cessie van 8 maart 1996 overgedragen vorderingen, en voorts de curator te veroordelen om aan [eiseres] te betalen de door haar geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
De curator heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 14 december 1999 de vordering afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij arrest van 20 december 2001 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De curator heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op € 301,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 31 oktober 2003.