ECLI:NL:HR:2003:AL6993
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen verlaagd btw-tarief voor parkeerdiensten bij bad- en zweminrichtingen
Belanghebbende exploiteert meerdere recreatieplassen waar bezoekers kunnen zwemmen en ontspannen. Voor het parkeren van auto's bij deze recreatieplassen wordt een vergoeding gevraagd, terwijl toegang tot de plas en het zwemmen zelf gratis zijn. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag omzetbelasting op omdat hij van mening was dat het verlenen van parkeergelegenheid niet onder het verlaagde btw-tarief voor bad- en zweminrichtingen valt.
Het Gerechtshof Arnhem bevestigde dit standpunt en oordeelde dat het parkeren geen onderdeel is van de diensten van een bad- en zweminrichting, mede omdat het parkeren losstaat van het baden en zwemmen en een doel op zich is. Belanghebbende stelde in cassatie dat het parkeren wel onder het verlaagde tarief valt omdat het een dienst is die onlosmakelijk verbonden is met de exploitatie van de bad- en zweminrichting.
De Hoge Raad verwierp dit verweer. Het hof had terecht geoordeeld dat het verlenen van parkeergelegenheid een zelfstandige dienst is die niet onder het verlaagde tarief valt. Ook het argument dat het parkeren een middel is om het baden aantrekkelijker te maken, werd verworpen. De naheffingsaanslag bleef daarmee in stand en het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat parkeerdiensten niet onder het verlaagde btw-tarief voor bad- en zweminrichtingen vallen.