Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
eerste cassatiemiddelop tegen het oordeel van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (het Hof) dat het gelegenheid geven tot parkeren voor de modale bezoeker van [A] (het park) een doel op zich is en derhalve geen bijkomende dienst bij het verlenen van toegang tot het park. Volgens belanghebbende zal niemand overwegen deze dienst van belanghebbende te gebruiken zonder het park te bezoeken. Het oordeel van het Hof is onvoldoende gemotiveerd en onbegrijpelijk, aldus belanghebbende. Met het
tweede cassatiemiddelbestrijdt belanghebbende het oordeel van het Hof dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Ook meent belanghebbende dat zij in aanmerking komt voor een integrale proceskostenvergoeding.
eerste cassatiemiddelfaalt dus. Voorts ben ik van mening dat hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd tegen ’s Hofs verwerping van haar beroep op het gelijkheidsbeginsel geen doel treft. Het
tweede cassatiemiddelslaagt dus evenmin. Belanghebbendes verzoek om toekenning van een integrale proceskostenvergoeding dient naar mijn mening te worden afgewezen.
3.Het geding in feitelijke instanties
4.Het geding in cassatie
eerste cassatiemiddelluidt:
eerste cassatiemiddelvoert belanghebbende aan dat het Hof zijn oordeel dat het parkeren voor de bezoekers een doel op zich is, niet heeft gemotiveerd. Het Hof verwijst naar
RLRE Tellmer Property [9] maar dit arrest biedt volgens belanghebbende geen steun voor het oordeel. Het oordeel van het Hof is volgens belanghebbende ook onbegrijpelijk, gelet op het door partijen tijdens de procedure ingenomen standpunt. Het parkeren bij het park is geen doel op zich omdat niemand zal overwegen om uitsluitend de parkeervoorzieningen van belanghebbende te bezoeken en daarvoor een vergoeding te betalen. Het Hof heeft verzuimd de samenhang tussen het parkeren bij het park en het bezoeken van het park te toetsen in het licht van de door het HvJ gewezen jurisprudentie over de vraag of zelfstandige handelingen een bijkomende dienst vormen bij een hoofddienst. Belanghebbende vindt steun voor haar standpunt dat het gelegenheid geven tot parkeren een bijkomende dienst is in
Everything Everywhere [10] en in
HR BNB 2013/3 [11] (hierna: de Witgoedzaak). Het gelegenheid geven tot parkeren is volgens belanghebbende een middel om de hoofddienst (het bezoeken van het park) zo aantrekkelijk mogelijk te maken.
tweede cassatiemiddelluidt:
tweede cassatiemiddelkomt belanghebbende op tegen het oordeel van het Hof dat het door belanghebbende gelegenheid geven tot parkeren en het in het Besluit van de staatssecretaris van Financiën (de Staatssecretaris) 27 oktober 2011, BLKB 2011/26M (het Besluit [12] ) genoemde ‘plaatsen van een auto’ geen gelijke gevallen zijn. Het Hof hanteert bij zijn oordeel overwegingen die niet zijn opgenomen in het Besluit, zoals de duur van het verblijf en het gebruik van de auto als trek- of vervoermiddel van kampeerspullen, koffers en dergelijke. De Staatssecretaris geeft in het Besluit niet aan waarom hij meent dat het geven van gelegenheid tot parkeren in de desbetreffende gevallen een bijkomende dienst is. Voorts overweegt het Hof naar de mening van belanghebbende ten onrechte dat sprake is van begunstigend beleid. Blijkens de tekst van het Besluit is geen sprake van een goedkeuring, maar van een expliciete stellingname. Aangezien sprake is van soortgelijke activiteiten, zou de juridische duiding ook moeten gelden voor de dienst van belanghebbende. Voorts meent belanghebbende dat het beperken van de standpunten van de staatssecretaris tot kampeerders en personen aan wie logies wordt verstrekt in strijd is met het (unierechtelijke) gelijkheidsbeginsel.
5.Samengestelde prestaties
Commissie/Spanje [16] en
Erotic Center BVBA [17] ).
geen doel op zich isdoch een middel om de hoofddienst van de dienstverrichter zo aantrekkelijk mogelijk te maken. Dit volgt zoals gezegd uit vaste rechtspraak van het HvJ (zie onder meer punt 30 van
CPPen punt 71 van
Baštová). [22] Het HvJ verwoordt dit criterium ook wel als volgt: “geen doel op zich, maar een middel om van de hoofdprestatie van de dienstverrichter optimaal te kunnen gebruikmaken”. Het HvJ gebruikt deze laatste bewoordingen bijvoorbeeld in
RR Donnelley [23] (zie punt 24 van het arrest dat is geciteerd in onderdeel 5.14 hierna). Ook noem ik het arrest
Stadion Amsterdam. [24] Het HvJ overweegt in laatstgenoemd arrest onder meer (cursivering CE):
maar een middel om van de hoofdprestatie van de dienstverrichter optimaal te kunnen gebruikmaken(arresten van 10 maart 2011, Bog e.a., C‑497/09, C‑499/09, C‑501/09 en C‑502/09, EU:C:2011:135, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 10 november 2016, Baštová, C‑432/15, EU:C:2016:855, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak).”
Bog [25] en
Baštová, waarin het HvJ spreekt van ‘zo aantrekkelijk mogelijk maken’, wordt met beide omschrijvingen in mijn optiek hetzelfde bedoeld. Bovendien is de Franse tekst in de arresten
Stadion Amsterdam,
Bogen
Baštováeensluidend: “mais le moyen de bénéficier dans les meilleures conditions du service principal du prestataire”. De Nederlandse vertaling is dus niet consistent.
alleeneen middel is om de hoofddienst zo aantrekkelijk mogelijk te maken en niet
hoofdzakelijkeen doel op zich (punt 42 van
BGŻ Leasing [26] ).
doel op zichis voor de klant moet plaatsvinden vanuit het perspectief van de gemiddelde afnemer die in de specifieke omstandigheden van het voorliggende geval deze prestatie(s) afneemt. Het gaat om een geobjectiveerde beoordeling van de subjectieve behoefte van de afnemer van de prestatie. Dit volgt onder meer uit
Field Fisher Waterhouse LLP [27] ,
Wojskowa Agencja Mieszkaniowa w Warszawie [28] ,
Deutsche Bank AG [29] en
Levob Verzekeringen en OV Bank [30] (zie de onderdelen 5.7 tot en met 5.13 van mijn eerdergenoemde conclusie van 30 november 2016).
Everything Everywhere [31] (zie punt 4.3 van deze conclusie). Het HvJ oordeelt in dat arrest dat de terbeschikkingstelling van een infrastructuur om de vergoeding voor een dienst te kunnen betalen (zoals een bancaire overmaking of een creditcard) geen van de hoofddienst te onderscheiden zelfstandige dienst is. Die dienst is voor de klant geen doel op zich. De consument heeft namelijk geen afzonderlijk belang bij die dienst. Zonder de hoofddienst (een mobieletelefoniedienst), ontstaat geen betalingsverplichting voor de klant en – beoordeeld vanuit het oogpunt van die klant – dus evenmin behoefte aan gebruikmaking van de terbeschikkinggestelde infrastructuur. Het HvJ overweegt:
Bookit [32] . Het HvJ overweegt (cursivering CE):
geen doel op zichzelf isen de zogenaamde dienstverrichting waarover deze klanten niet kunnen beschikken zonder de hoofddienst te verwerven, uit het oogpunt van deze klanten geen afzonderlijk belang heeft ten opzichte van deze dienst (…).
Bookitneemt het HvJ dus in aanmerking dat de klant geen
afzonderlijk belangheeft bij de terbeschikkingstelling van de infrastructuur. Wat mij betreft is die constatering evident. Een dergelijke dienst kan immers niet worden afgenomen zonder een hoofddienst af te nemen.
RR Donnelley [33] . RR Donnelley houdt zich bezig met de opslag van goederen. Haar activiteiten bestaan meer specifiek uit goederen in ontvangst nemen in een opslagruimte, op geschikte opslagstellingen plaatsen, bewaren, verpakken voor de klant, afgeven, laden en lossen. Voor bepaalde klanten worden de in samengestelde verpakkingen geleverde materialen in individuele verpakkingen omgepakt. Naar het oordeel van het HvJ vormt de opslagdienst de hoofddienst en stellen de overige handelingen de consument in staat ‘optimaal gebruik te maken’ van de hoofddienst (cursivering CE):
handelingen die hen in staat stellen optimaal gebruik te maken van de hoofddienst.
BGŻ Leasing [34] (‘zo aantrekkelijk mogelijk te maken’), waar het oordeelt dat het verzekeren van een geleased goed in beginsel een van het leasen van het goed te onderscheiden dienst vormt:
Stock ‘94 [35] overweegt het HvJ dat de desbetreffende handelingen voor de consument geen doel op zich zijn, maar de consument die handelingen
nodig heeftom activa aan te kopen. De Hongaarse onderneming Stock ‘94 is actief als ‘integrator’ in het kader van de ‘samenwerking op basis van integratie’, een regeling die typisch is voor het Hongaarse landbouwstelsel. De regeling is gebaseerd op het beginsel dat Stock ‘94 een overeenkomst sluit met een landbouwer (de geïntegreerde landbouwer), waarbij zij zich verbindt de landbouwer technologische ondersteuning te bieden bij de productieactiviteit en waarbij een lening wordt verstrekt voor het kopen, bij haar, van voor de productieactiviteit benodigde middelen. De landbouwer verkoopt zijn landbouwproducten vervolgens aan Stock ‘94 of op de markt. Het HvJ overweegt:
HR BNB 2006/220 [36] , het zogenoemde ‘Eftelingarrest’, over een met de onderhavige zaak vergelijkbaar feitencomplex, het oordeel van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch in stand dat het geven van gelegenheid tot parkeren door de belanghebbende in kwestie voor haar bezoekers een zelfstandige dienst is. De belanghebbende vraagt voor zowel de toegang tot het door haar geëxploiteerde attractiepark (de Efteling) als het gebruik mogen maken van het parkeerterrein en de fietsenstalling een vergoeding. De Hoge Raad overweegt:
BGŻ Leasing, over de aanschaf van een verzekeringsproduct.
Everything Everywhereen
Bookit.Zoals de klanten in die zaken geen afzonderlijk belang hadden bij de terbeschikkingstelling van de infrastructuur voor de betaling van de vergoeding voor een prestatie, hebben de klanten in de Witgoedzaak niets aan een servicecertificaat zonder witgoedapparaat. Sterker nog, het certificaat kon niet worden aangeschaft zonder dat een nieuw apparaat werd aangeschaft.
HR BNB 2014/71 [40] , over het verlenen van toegang tot een pand waarin gelegenheid wordt gegeven tot (seksueel) vermaak. In dat arrest oordeelt de Hoge Raad dat de gemiddelde consument de sauna en de eetgelegenheid als bijkomend bij de seksuele diensten van de in het pand bevindende prostituees zal aanmerken, dat wil zeggen als niet meer dan middelen om de hoofddienst aantrekkelijk te maken.
Omzetbelastingtarief
eerste cassatiemiddelricht zich tegen het oordeel van het Hof dat het gelegenheid geven tot parkeren door belanghebbende geen bijkomende dienst is maar een zelfstandige dienst die aan het algemene omzetbelastingtarief is onderworpen. Het Hof heeft, zo volgt uit punt 4.7 van zijn uitspraak, beoordeeld of de handeling van belanghebbende voor de modale bezoeker een doel op zich is. Hiermee heeft het Hof een juiste maatstaf aangelegd.
Everything Everywhereen de Witgoedzaak, dat van de door belanghebbende aangeboden dienst kan worden gebruikgemaakt zonder de hoofddienst af te nemen. Automobilisten kunnen immers (in theorie) gebruik maken van de geboden parkeergelegenheid zonder het park te bezoeken. Dat, zoals belanghebbende stelt, niemand dat in de praktijk doet, kan zo zijn, maar leidt niet per se tot de slotsom dat de bezoeker geen afzonderlijk belang heeft bij de geboden parkeergelegenheid. Dat dit anders is voor de bezoekers van het park die met de auto het park binnengaan ligt voor de hand: de auto kan niet alleen, zonder bezoekers, het park in. Overigens merk ik op dat tussen partijen kennelijk niet in geschil is dat op het entreegeld voor de auto die mee het park wordt ingenomen het verlaagde tarief van 6% wel van toepassing is.
Everything Everywhere,
Bookit,
RLRE Tellmer Propertyen
Město Žamberk [46] dat het feit dat twee bedragen in rekening worden gebracht, een indicatie is dat twee diensten worden verricht. Het is echter geen doorslaggevend criterium. In de onderhavige zaak worden twee bedragen in rekening gebracht (€ 2 per auto en € 8,20 entreegeld per persoon). Dit is aldus een indicatie dat het gelegenheid geven tot parkeren moet worden onderscheiden van het verlenen van toegang tot het park.
BGŻ Leasingvolgt immers dat het vergemakkelijken van de hoofdprestatie alleen niet de doorslag geeft (zie onderdeel 5.9). De vraag moet worden beantwoord of het parkeren een doel op zich is. Het Hof heeft die vraag in punt 4.7 van zijn uitspraak bevestigend beantwoord. Hij heeft in aanmerking genomen dat de bezoekers een zekere keuzevrijheid hebben. De bezoekers hebben de keuze al dan niet met de auto naar het park te komen en als zij met de auto komen kunnen zij kiezen de auto al dan niet het park mee in te nemen. Neemt een bezoeker zijn auto mee het park in, dan betaalt hij € 6 bovenop de toegangsprijs voor het park. Laat de bezoeker zijn auto achter op de parkeerplaats bij het park dan kost hem dat € 2. De tijdelijke bestemming van de auto is naar het oordeel van het Hof voor de bezoeker een behoefte op zich, omdat de bezoeker weet dat hij een vervoermiddel niet zomaar ergens kan achterlaten. Uit onder meer
Wojskowa Agencja Mieszkaniowa w Warszawieen
Field Fisher Waterhouse LLPkan worden afgeleid dat het als consument zelf kunnen kiezen en/of zelf kunnen bepalen of bepaalde goederen of diensten worden gebruikt, een indicatie kan zijn dat te onderscheiden prestaties worden verricht. Ik kom dan ook tot de slotsom dat het Hof deze omstandigheden terecht in zijn oordeel heeft betrokken. ‘s Hofs oordeel is voorts voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk.
eerste cassatiemiddelfaalt derhalve.
6.Gelijkheidsbeginsel en neutraliteitsbeginsel
tweede cassatiemiddelkomt belanghebbende op tegen het oordeel van het Hof dat het gelegenheid geven tot parkeren door belanghebbende en het in het Besluit [47] genoemde ‘plaatsen van een auto’ geen gelijke gevallen zijn en dat, dientengevolge, het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden. Ik behandel hierna eerst het Unierecht en de nationale wetgeving waarop het Besluit is gebaseerd.
HR BNB 1986/76 [49] bracht de belanghebbende aan kampeerders afzonderlijke bedragen in rekening per op haar terrein geparkeerde auto. De Hoge Raad overweegt:
POST B 10
HR BNB 1986/76voor de staatssecretaris van Financiën de aanleiding is geweest mede te delen dat het verlaagde tarief ook ziet op het aan een kampeerder gelegenheid geven tot het ‘plaatsen van een auto’. In het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 1 februari 1994, nr. VB 93/3553 [50] , dat is ingetrokken bij het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 27 september 2007, nr. CPP 2007/536M [51] , staat nog:
HR BNB 1986/76echter verdwenen.
Mauri [54] . De nationale verwijzende rechter in die zaak stelde het HvJ een prejudiciële vraag over onder meer het unierechtelijke discriminatieverbod. Het HvJ merkte die vraag aan als een vraag over de uitlegging van artikel 43 EG Pro. Omdat ik niet in zie hoe een beroep op die bepaling belanghebbende kan helpen, neem ik aan dat zij zich wenst te beroepen op het gelijkheidsbeginsel als fundamenteel beginsel van het unierecht, in het bijzonder het beginsel van de fiscale neutraliteit als uitvloeisel van eerstgenoemd beginsel.
enrechtens) gelijke gevallen. [56] Dit brengt mee dat de gevallen ten eerste dezelfde feitelijke kenmerken moeten hebben en ten tweede onder dezelfde algemeen verbindende voorschriften gerangschikt moeten kunnen worden. [57]
HR BNB 1986/76. In dat arrest overweegt de Hoge Raad dat het gelegenheid geven tot kamperen naar het spraakgebruik een samenstel van diensten omvat waaronder het beschikbaar stellen van een parkeerplaats voor een vervoermiddel “dat door een kampeerder in samenhang met het kamperen wordt gebezigd”. Dit bezigen van de auto kan mijns inziens niet anders worden opgevat dan
als trek- of vervoermiddel van kampeerspullen. Het is duidelijk dat de bezoekers van het park hun auto niet gebruiken als trek- of vervoermiddel van kampeerspullen. Ook als wordt aangenomen, zoals belanghebbende aanvoert, dat de bezoeker de auto eveneens als trek- of vervoermiddel van (andere) spullen kan en zal gebruiken, blijven de feitelijke omstandigheden van een bezoeker van het park verschillen van die van een kampeerder.
tweede cassatiemiddelkomt belanghebbende op tegen het oordeel van het Hof inhoudende dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, geeft geen steun voor een andersluidend oordeel.
tweede cassatiemiddelfaalt derhalve eveneens.
7.Proceskostenvergoeding
United Video Properties [58] . Deze zaak gaat over een Belgische regeling voor de vergoeding van proceskosten. In geschil is of een nationale regeling op grond waarvan de verliezende partij in de proceskosten van de in het gelijk gestelde partij wordt verwezen en die regeling de rechter de mogelijkheid biedt rekening te houden met de specifieke kenmerken van de bij hem aanhangige zaak en die een systeem van forfaitaire tarieven met een absolute maximumvergoeding behelst inzake de kosten voor de bijstand van een advocaat in strijd is met artikel 14 van Pro richtlijn 2004/48 [59] . Het HvJ overweegt dat het evenredigheidsvereiste niet impliceert dat de verliezende partij alle kosten van de andere partij moet vergoeden, maar wel vergt dat de in het gelijk gestelde partij recht heeft op vergoeding van minstens een significant en passend deel van de redelijke kosten die zij daadwerkelijk heeft gemaakt. Het HvJ beslist:
United Video Propertiesbelanghebbende kan baten. Dit arrest heeft betrekking op richtlijn 2004/48, die een specifieke regel kent voor proceskosten die zijn gemaakt ter bescherming van het recht op intellectuele eigendom. Die regel kent geen equivalent in de Btw-richtlijn en is daarom mijns inziens niet relevant voor de beoordeling van de onderhavige zaak. Wel relevant is mijns inziens de nationale rechtspraak van de Hoge Raad. Zo heeft de civiele kamer van de Hoge Raad op 17 december 2004 beslist dat het Besluit proceskosten fiscale procedures, dat ook een forfaitaire proceskostenregeling kende, voldoet aan de ingevolge het gemeenschapsrecht geldende eis van doeltreffendheid, in die zin dat de verwezenlijking van het gemeenschapsrecht niet als gevolg van de regeling met betrekking tot de proceskosten onmogelijk of uiterst moeilijk is. [60] In navolging van de civiele kamer heeft de belastingkamer bij arrest van 7 oktober 2005 in vergelijkbare zin beslist over het Besluit proceskosten bestuursrecht: [61]