ECLI:NL:HR:2004:AF7812
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Toerekening en belasting van ontslagvergoeding bij grensoverschrijdende arbeid
Belanghebbende ontving in april 1999 een ontslagvergoeding waarover loonbelasting was ingehouden. Hij maakte bezwaar tegen deze inhouding en verzocht om teruggaaf, maar dit werd door de Inspecteur en het Hof afgewezen. Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
De zaak draaide om de vraag of Nederland een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting moest verlenen voor de ontslagvergoeding die deels betrekking had op werkzaamheden in België en Luxemburg. Het Hof oordeelde dat de ontslagvergoeding niet als loon voor specifieke werkzaamheden in die landen kon worden aangemerkt, omdat de vergoeding haar oorzaak vond in het ontslag uit een Nederlandse dienstbetrekking en de daaruit voortvloeiende inkomensderving.
De Hoge Raad bevestigde dat een ontslagvergoeding die niet direct verband houdt met in het buitenland verrichte arbeid, niet kan worden toegerekend aan die buitenlandse werkstaten. De heffingsbevoegdheid moet in beginsel worden verdeeld op basis van het arbeidsverleden, maar in dit geval was de vergoeding doorbelast aan de moedermaatschappij in Duitsland en niet aan de zustermaatschappij in België, waardoor Nederland geen vermindering hoeft te verlenen.
De Hoge Raad verwierp ook de middelen die stelden dat het Hof de Inspecteur had moeten veroordelen in de proceskosten. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en Nederland hoeft geen vermindering ter voorkoming van dubbele belasting te verlenen voor de ontslagvergoeding.