ECLI:NL:PHR:2004:AF7812
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over heffingsbevoegdheid ontslagvergoeding onder belastingverdrag Nederland-België
De zaak betreft de vraag welke staat heffingsbevoegd is over een ontslagvergoeding die een werknemer ontving na werkzaamheden in Nederland, België en Luxemburg. De werknemer was gedetacheerd bij een Belgische vennootschap en was onbezoldigd bestuurder daarvan. Na beëindiging van zijn functie ontving hij een ontslagvergoeding die mede was gebaseerd op zijn werkzaamheden in België en Luxemburg.
Het Hof had geoordeeld dat de ontslagvergoeding niet direct verband hield met in België verrichte arbeid en dat art. 15 en Pro 16 van het belastingverdrag niet van toepassing waren. De Hoge Raad stelt dat de ontslagvergoeding kwalificeert als inkomen uit niet-zelfstandige arbeid onder art. 15 van Pro het verdrag, en dat de vergoeding aan Nederland toekomt omdat de dienstbetrekking feitelijk in Nederland werd uitgeoefend en de vergoeding door de Nederlandse werkgever werd betaald.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de temporele toerekening van inkomsten aan belastingjurisdicties onder het OESO-modelverdrag, waarbij het beslissend is waar en wanneer de werkzaamheden werden verricht waarvoor de vergoeding wordt betaald. Ook wordt ingegaan op de toepassing van art. 16 voor Pro bestuurdersbeloningen, waarbij het verband tussen de vergoeding en de werkzaamheden door of namens de vennootschap moet bestaan.
De Hoge Raad verwerpt tevens de vordering tot proceskostenvergoeding wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden en wijst het beroep af. De uitspraak bevestigt dat ontslagvergoedingen primair aan de woonstaat worden toegerekend, tenzij een voldoende direct verband bestaat met werkzaamheden in een andere staat.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat Nederland heffingsbevoegd is over de ontslagvergoeding.