ECLI:NL:HR:2004:AR5983
Hoge Raad
- Cassatie
- F.W.G.M. van Brunschot
- P.J. van Amersfoort
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Verdeling heffingsbevoegdheid ontslagvergoeding bij internationaal arbeidsverleden
Belanghebbende, woonachtig in Nederland, was van 1973 tot 1998 werkzaam binnen een concern met een dienstverband dat deels in Nederland en deels in de voormalige Sovjet-Unie werd uitgeoefend. In 1998 ontving hij een ontslagvergoeding die grotendeels verband hield met toekomstige inkomsten.
Het Hof had geoordeeld dat Nederland op grond van het belastingverdrag met de Sovjet-Unie vermindering ter voorkoming van dubbele belasting moest verlenen, omdat de dienstbetrekking in Rusland was uitgeoefend. De Hoge Raad stelt dat de bevoegdheid tot heffing van de ontslagvergoeding in beginsel moet worden verdeeld op basis van het arbeidsverleden over de betrokken staten.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd of de ontslagvergoeding ten laste is gekomen van een werkgever die inwoner is van Rusland of van een vaste inrichting aldaar. Hierdoor is het oordeel van het Hof niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar het Hof Amsterdam voor verdere behandeling met inachtneming van deze richtlijnen.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het Hof Amsterdam voor herbeoordeling met inachtneming van de richtlijnen over de verdeling van heffingsbevoegdheid bij ontslagvergoedingen.