ECLI:NL:HR:2004:AF7863

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 januari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
38098
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • P. Lourens
  • C. B. Bavinck
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11b Wet op de loonbelasting 1964Art. 11c Wet op de loonbelasting 1964Art. 18 Belastingverdrag Nederland-BelgiëArt. 15 Belastingverdrag Nederland-België
Verwijzingen
6 uitgaand · 11 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt teruggaaf loonbelasting bij overdracht pensioenkapitaal aan niet-toegelaten verzekeraar

Belanghebbende, voormalig werknemer van een Nederlandse BV, had in september 1998 een bedrag van ƒ 264.153 aan loonbelasting ingehouden gekregen op zijn pensioenkapitaal, nadat hij dit had laten overmaken naar een Belgische verzekeraar die niet tot de in de Wet op de loonbelasting 1964 genoemde categorieën van toegelaten verzekeraars behoorde. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze inhouding, dat werd afgewezen door de Inspecteur, waarna hij in beroep ging bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Het Hof vernietigde de uitspraak van de Inspecteur en bepaalde dat de ingehouden loonbelasting aan belanghebbende moest worden teruggegeven.

De Staatssecretaris van Financiën stelde hiertegen beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad overwoog dat het Hof terecht had geoordeeld dat de aanspraak op het pensioenkapitaal een pensioenvoorziening betrof zoals bedoeld in het belastingverdrag Nederland-België en dat de wetgever met artikel 11c van de Wet op de loonbelasting 1964 een regeling had getroffen die dubbele heffing bij overdracht van pensioenkapitaal moest voorkomen.

De Hoge Raad verwierp het middel van de Staatssecretaris dat stelde dat de overdracht aan een niet-toegelaten verzekeraar tot het loon van belanghebbende moest worden gerekend. De Hoge Raad bevestigde dat artikel 11c, lid 2, van de Wet een aparte regeling bevat die een overdracht gelijkstelt aan afkoop van de pensioenaanspraak, en dat dit in dit geval van toepassing was. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard en de Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en de teruggaaf van loonbelasting aan belanghebbende bevestigd.

Uitspraak

Nr. 38.098
23 januari 2004
EC
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 14 februari 2002, nr.BK-99/01809, betreffende na te melden inhouding van loonbelasting van X te Z (België).
1. Inhouding, bezwaar en geding voor het Hof
Van belanghebbende is over de maand september 1998 een bedrag van ? 264.153 ingehouden aan loonbelasting. Belanghebbende heeft tegen dit bedrag bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij uitspraak van de Inspecteur is afgewezen.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft deze uitspraak vernietigd en bepaald dat aan belanghebbende teruggaaf van de ingehouden loonbelasting dient te worden verleend. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 12 maart 2003 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende, geboren in 1935, was van 30 november 1971 tot januari 1993 in dienstbetrekking bij A BV (hierna: de BV). In het kader van die dienstbetrekking heeft de BV hem een pensioen toegezegd. Dit pensioen was gedeeltelijk ondergebracht bij C NV en betrof een verzekeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 2, lid 4, onder C, van de Pensioen- en spaarfondsenwet. Krachtens de overeenkomst zou per 1 september 1997 een bedrag groot ƒ 440.255 beschikbaar komen ten behoeve van de aankoop van pensioentermijnen. In september 1998 heeft belanghebbende, die inmiddels in België woonde, C NV verzocht om zijn pensioenkapitaal rechtstreeks over te maken naar D te Q, een in België gevestigde verzekeraar. D behoort niet tot de in artikel 11b van de Wet op de loonbelasting 1964, tekst 1998 (hierna: de Wet), genoemde categorieën van toegelaten verzekeraars. C NV heeft in september 1998 op het kapitaal een bedrag van ƒ 264.153 aan loonbelasting ingehouden en ƒ 176.102 overgemaakt naar D.
3.2. Tussen partijen was voor het Hof in geschil of C NV op het pensioenkapitaal terecht dat bedrag aan loonbelasting heeft ingehouden.
3.3. Het Hof heeft geoordeeld:
- dat de onderhavige aanspraak naar haar aard een voorziening is voor een pensioen als bedoeld in artikel 18 van Pro het Belastingverdrag Nederland-België van 19 oktober 1970 (hierna: het Verdrag);
- dat artikel 11c van de Wet niet bewerkstelligt dat de betreffende aanspraak geen pensioenaanspraak meer is;
- dat artikel 11c, lid 2, niet inhoudt dat op het tijdstip, onmiddellijk voorafgaande aan de overdracht van de pensioenverplichting aan een andere verzekeraar dan bedoeld in artikel 11b, lid 1, letters a, b, d of e van de Wet, de in het verleden toegekende vrijstelling van de pensioenaanspraak wordt teruggedraaid;
- dat de wetgever met artikel 11c van de Wet heeft getracht bij wege van fictie het begrip inkomen in de zin van artikel 15 en Pro volgende van het Verdrag uit te breiden, zulks na de totstandkoming van het Verdrag en op een zodanige wijze dat daardoor dubbele heffing kan ontstaan;
- dat de wetgever daarmede in strijd is gekomen met doel en strekking van het Verdrag.
3.4. Het middel betoogt dat het Hof heeft miskend dat de naheffingsaanslag niet uitsluitend was gebaseerd op het bepaalde in artikel 11c, lid 2, van de Wet, maar eveneens op het bepaalde in artikel 11c, lid 1, van de Wet.
3.5. Het middel berust kennelijk op de opvatting dat de overdracht van het pensioenkapitaal aan D - die gelet op het bepaalde in artikel 11b van de Wet niet kan optreden als verzekeraar van een pensioen - tot gevolg had dat de aanspraak op pensioen niet langer was aan te merken als een aanspraak ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in artikel 11, lid 3, van de Wet, en dat reeds die omstandigheid tot gevolg had dat de (waarde van) aanspraak op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip ingevolge het bepaalde in artikel 11c, lid 1, aanhef, letter a, en slot, van de Wet tot het loon van belanghebbende was gaan behoren.
Aldus miskent het middel evenwel dat de wetgever, zoals in onderdeel 4.5 van de conclusie van de Advocaat-Generaal is uiteengezet, in artikel 11c, lid 2, van de Wet voor de gevallen van overdracht van pensioenkapitaal
een aparte regeling heeft getroffen waarbij een dergelijke overdracht is gelijkgesteld aan afkoop van de pensioenaanspraak. Bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel moet worden aangenomen dat de wetgever derhalve ervan is uitgegaan, dat in een dergelijk geval het bepaalde in artikel 11c, lid 2, van de Wet van toepassing is en niet het bepaalde in artikel 11c, lid 1, aanhef, letter a, en slot, van de Wet. Het middel faalt derhalve.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C. B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2004.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 348.