ECLI:NL:HR:2004:AO1830
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- J.P. Balkema
- B.C. de Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid bewijs ondanks betwiste aanhouding verdachte
De zaak betreft een verdachte die op 29 september 2001 omstreeks 2.30 uur in Tilburg werd aangesproken door politieagenten vanwege zijn bekendheid met inbraken. Toen hij wegliep, werd hij kort bij zijn schouder vastgepakt. Vervolgens gaf hij vrijwillig zijn jas en heuptasje af, waarin inbrekerswerktuigen werden gevonden. De verdachte werd later aangehouden wegens overtreding van de APV Tilburg.
De verdediging voerde aan dat de aanhouding onrechtmatig was omdat er geen redelijk vermoeden van schuld bestond en dat het bewijs daardoor onrechtmatig was verkregen. Tevens werd aangevoerd dat de verdachte niet binnen zes uur was verhoord, wat volgens de raadsman strafvermindering zou moeten rechtvaardigen.
Het hof verwierp deze verweren, oordeelde dat de verdachte vrijwillig zijn spullen had afgegeven en dat de aanhouding pas plaatsvond nadat het inbrekerswerktuig was aangetroffen. De Hoge Raad liet in het midden of het vasthouden aan de schouder een onrechtmatige aanhouding was, maar oordeelde dat het bewijs niet rechtstreeks uit een onrechtmatige aanhouding voortkwam en verwierp het beroep. Ook het beroep op artikel 359a Sv werd afgewezen wegens gebrek aan een behoorlijk gemotiveerd verweer.
De Hoge Raad bevestigde daarmee de uitspraak van het hof en verwierp het cassatieberoep, waarmee de veroordeling van de verdachte bleef staan.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van verdachte ondanks discussie over een mogelijk onrechtmatige aanhouding.