ECLI:NL:HR:2004:AO4044
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.L.M. Urlings
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Geen plicht tot nadere motivering betrouwbaarheid verklaringen slachtoffer zedenmisdrijf
In deze strafzaak werd de verdachte veroordeeld voor meermalen vleselijke gemeenschap en ontucht met zijn minderjarige dochter. Het hof baseerde zijn oordeel onder meer op de verklaringen van het slachtoffer en getuigen, waarbij het hof de betrouwbaarheid van deze verklaringen had beoordeeld en gemotiveerd.
De verdediging voerde in hoger beroep aan dat de verklaringen onbetrouwbaar waren, onderbouwd met een rapport van een deskundige die kritiek had op de wijze van totstandkoming van de aangifte en het gebruik van bepaalde herinneringstechnieken. De Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken stond echter achter de geloofwaardigheid van de aangifte.
De Hoge Raad stelde vast dat het hof de verklaringen van het slachtoffer en getuigen als geloofwaardig had beoordeeld en dat het verweer niet aannemelijk had gemaakt dat deze verklaringen het gevolg waren van onjuiste of wetenschappelijk ondeugdelijke methoden. Daarom was het hof niet gehouden tot nadere motivering van de betrouwbaarheid van deze verklaringen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf van drie jaar en zes maanden voor de gepleegde zedenfeiten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling tot drie jaar en zes maanden gevangenisstraf.