ECLI:NL:HR:2004:AO5857
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- J.L.M. Urlings
- G.J.M. Corstens
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid klaagschrift na termijn art. 116 lid 3 Sv verstreken
In deze zaak stond centraal de ontvankelijkheid van een klaagschrift ex artikel 552a Wetboek van Strafvordering (Sv) dat door de beslagene was ingediend nadat de termijn van veertien dagen, genoemd in artikel 116 lid 3 Sv Pro, was verstreken. De klager had geen tijdig bezwaar gemaakt tegen het voornemen van de officier van justitie tot teruggave van goederen die op lijsten waren vermeld bij schriftelijke kennisgevingen van 7 februari 2003 en 18 april 2003.
De Rechtbank Haarlem had de klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn klaagschrift omdat hij niet binnen de wettelijke termijn bezwaar had gemaakt. De Hoge Raad bevestigde deze beslissing en oordeelde dat de beslagene na het verstrijken van de termijn van veertien dagen niet meer kan worden ontvangen in een klaagschrift gericht op teruggave van de goederen, ook niet als de officier van justitie nog geen uitvoering had gegeven aan het voornemen tot teruggave.
De Hoge Raad benadrukte dat deze uitleg de rechtszekerheid dient, vooral ten behoeve van derden die redelijkerwijs als rechthebbende kunnen worden aangemerkt. De memorie van toelichting bij de wetswijziging ondersteunt deze interpretatie, waarin wordt gesteld dat tegen de teruggave na het verstrijken van de termijn geen bezwaar meer mogelijk is.
Het beroep van de klager werd verworpen, waarmee de niet-ontvankelijkverklaring van het klaagschrift door de Rechtbank werd bekrachtigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de beslagene na het verstrijken van de termijn van veertien dagen ex artikel 116 lid 3 Sv niet meer ontvankelijk is in een klaagschrift tot teruggave van inbeslaggenomen goederen.