ECLI:NL:HR:2004:AO7810
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- O. de Savornin Lohman
- A.J.M. van Buchem-Spapens
- P. Neleman
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring curator in cassatieberoep wegens art. 401a Rv
De zaak betreft een cassatieberoep van de curator in het faillissement van een partij tegen een tussentijds arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 augustus 2002. De Hoge Raad verwijst naar eerdere procedures en tussenvonnissen, waaronder deskundigenonderzoeken en bewijslevering, die aan het huidige cassatieberoep voorafgingen.
De kern van het geschil is de ontvankelijkheid van het cassatieberoep tegen het tussentijdse arrest van het hof, dat na de inwerkingtreding van de Wet van 6 december 2001 is gewezen. Volgens art. 401a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan tegen een tussentijds arrest slechts tegelijk met het eindarrest cassatieberoep worden ingesteld, tenzij het hof anders bepaalt of uitzonderingen van toepassing zijn.
De Hoge Raad oordeelt dat geen van deze uitzonderingen van toepassing is en het hof geen afwijkende bepaling heeft gegeven. Daarom is het cassatieberoep van de curator niet-ontvankelijk. De curator wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, die aan de zijde van de wederpartij nihil worden begroot. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken door de vice-president op 3 september 2004.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de curator niet-ontvankelijk en veroordeelt hem in de proceskosten.