ECLI:NL:PHR:2004:AO7810
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid tussentijds cassatieberoep in nalatenschapsgeschil na wetswijziging procesrecht
Deze zaak betreft een nalatenschapsgeschil tussen erfgenamen over de verdeling van een onverdeelde boedel, waaronder een boerderij met grond. De procedure startte met een dagvaarding in 1989 en kende meerdere tussenvonnissen en hoger beroepen. Na faillissement van een partij werd de curator in de procedure betrokken.
In 2002 wees het hof een arrest waarin het geding werd terugverwezen naar de rechtbank voor verdere behandeling, hetgeen kwalificeert als een tussenarrest. De curator stelde binnen drie maanden cassatieberoep in tegen dit arrest.
De Hoge Raad oordeelt dat sinds de wetswijziging per 1 januari 2002 (art. 401a Rv) tussentijds cassatieberoep slechts mogelijk is in uitzonderlijke gevallen, die hier niet van toepassing zijn. Het arrest van het hof betreft een tussenarrest zonder einduitspraak, waardoor het cassatieberoep niet-ontvankelijk is. De conclusie van de Procureur-Generaal ondersteunt deze niet-ontvankelijkverklaring.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de curator wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens beperking van tussentijds cassatieberoep volgens art. 401a Rv.