ECLI:NL:HR:2004:AO8217

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 april 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
38767
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.G. Pos
  • L. Monné
  • C.J.J. van Maanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38 lid 2 AWR
Verwijzingen
3 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling toepassing artikel 38 lid 2 AWR bij aaneengesloten arbeid in meerdere niet-verdragslanden

Belanghebbende was in 1998 werkzaam als werktuigkundige bij een baggermaatschappij en verrichtte arbeid in Trinidad en Portugal, beide niet-verdragslanden die het loon niet aan belastingheffing onderwerpen. De Inspecteur legde een aanslag inkomstenbelasting op, die na bezwaar en beroep bij het hof werd gehandhaafd. Het hof oordeelde dat de periodes in Trinidad en Portugal niet konden worden samengevoegd voor toepassing van artikel 38 lid 2 AWR Pro.

Belanghebbende stelde in cassatie dat de aaneengesloten periode van arbeid in beide landen samen moest worden beschouwd, omdat dit voldoet aan de eis van ten minste drie aaneengesloten maanden arbeid in niet-verdragslanden die het loon niet belasten. De Hoge Raad oordeelde dat de wetsgeschiedenis deze uitleg ondersteunt en dat het hof ten onrechte de periodes niet heeft samengevoegd.

Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling met inachtneming van deze uitleg. Tevens werden proceskosten aan de zijde van belanghebbende toegewezen.

Uitkomst: Het beroep in cassatie is gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling.

Uitspraak

Nr. 38.767
23 april 2004
SD
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 12 juli 2002, nr. BK-00/03144, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 76.944, met een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting ten bedrage van ƒ 8282, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft zich bij verweerschrift gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
3. Beoordeling van de klacht
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende was in het onderhavige jaar in dienstbetrekking werkzaam als werktuigkundige voor baggermaatschappij C B.V. Hij heeft onder meer arbeid verricht in Trinidad, van 6 augustus 1998 tot en met 1 september 1998, en in Portugal, van 17 september 1998 tot en met 31 december 1998. De aan deze periodes toe te rekenen inkomsten uit arbeid zijn door Trinidad respectievelijk Portugal niet aan belastingheffing onderworpen.
3.2. Voor het Hof was in geschil of de inkomsten die aan de in Trinidad verrichte arbeid zijn toe te rekenen, ingevolge artikel 38, lid 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) voor de toepassing van lid 1 van dat artikel geacht moeten worden te zijn onderworpen aan een vanwege Trinidad geheven belasting.
3.3. Het Hof heeft deze vraag ontkennend beantwoord en daartoe redengevend geoordeeld dat artikel 38, lid 2, van de AWR geen ruimte laat om de periode die voor of na de periode in Trinidad binnen het gebied van een andere Mogendheid is gewerkt hierbij te betrekken, zodat de periode die belanghebbende in Portugal heeft gewerkt niet in de berekening kan worden betrokken.
3.4. Dit oordeel wordt in cassatie bestreden. Belanghebbende betoogt dat de aaneensluitende periode gedurende welke hij achtereenvolgens in Trinidad en Portugal heeft gewerkt, in aanmerking moet worden genomen, en dat dan, omdat met betrekking tot die aaneensluitende periode aan de eis van ten minste drie aaneengesloten maanden is voldaan, de fictie van artikel 38, lid 2, van de AWR ook geldt voor de inkomsten die betrekking hebben op de in Trinidad verrichte arbeid.
3.5. De Memorie van toelichting bevat omtrent artikel 38, lid 2, van de AWR de volgende passage (Kamerstukken II 1983/84, 18 371, nr. 3, blz. 8):
Voorgesteld wordt de faciliteit slechts te verlenen indien met inbegrip van de gewone arbeidsonderbrekingen gedurende tenminste drie aaneengesloten maanden wordt gewerkt in niet-verdragslanden die het loon niet aan belastingheffing onderwerpen. (...) Aaneensluitende perioden gedurende welke men in meer van dergelijke landen werkt worden in aanmerking genomen bij de beoordeling of aan de minimum termijn is voldaan. Dit geldt niet voor perioden gedurende welke in verdragslanden en/of landen die het loon wel aan belasting onderwerpen wordt gewerkt.
In het licht van deze wetsgeschiedenis moet de in artikel 38, lid 2, van de AWR opgenomen voorwaarde dat ten minste gedurende drie aaneengesloten maanden arbeid wordt verricht "binnen het gebied van een Mogendheid waarmee (...)" aldus worden uitgelegd dat aan deze voorwaarde ook is voldaan indien in totaal gedurende ten minste drie aaneengesloten maanden arbeid is verricht binnen het gebied van twee of meer Mogendheden die alle voldoen aan de overigens in artikel 38, lid 2, van de AWR opgenomen voorwaarden.
3.6. De klacht slaagt derhalve. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 82, alsmede het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van ƒ 60 (€ 27,23), derhalve in totaal € 109,23,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 322 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2004.