Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
4.Cyprus-regeling
Wet
voorzover dat loon betrekking heeft op arbeid die gedurende ten minste drie aaneengesloten maanden wordt verrichtbinnen het gebied van een Mogendheid waarmee Nederland geen verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten en met betrekking waartoe geen regelen zijn gesteld op grond van artikel 37. Voor de toepassing van de vorige volzin omvat het gebied van een andere Mogendheid mede het gebied buiten de territoriale wateren van die Mogendheid waar deze in overeenstemming met het internationale recht soevereine rechten kan uitoefenen. Onze Minister is bevoegd voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen te bepalen dat loon betrekking heeft op arbeid die gedurende ten minste drie aaneengesloten maanden wordt verricht.
BNB2004/228 heeft de Hoge Raad artikel 38 lid 2 AWR Pro van toepassing verklaard in het geval van een belanghebbende die werkzaamheden in Trinidad (van 6 augustus 1998 tot en met 1 september 1998) en Portugal (van 17 september 1998 tot en met 31 december 1998), in die tijd beide niet-verdragslanden, verrichtte: [15]
BNB2011/231 heeft de Hoge Raad zijn eerdere rechtspraak bevestigd en voorts geoordeeld dat toerekening van de verlofdagen aan de gewerkte dagen plaatsvindt volgens de administratie van de werkgever: [16]
twee of meermogendheden, die alle voldoen aan de overigens in art. 38, lid 2, AWR gestelde voorwaarden, kwalificeert ook. [19] De voorwaarde van arbeid verrichten in een periode van drie aaneengesloten maanden in een niet-verdragsland, wil niet zeggen dat de uitgezonden werknemer in die periode niet naar Nederland mag komen. Hij mag zeer zeker zijn gezin bezoeken. Het voorschrift houdt in dat de werknemer in de driemaandsperiode geen arbeid in Nederland mag verrichten.