ECLI:NL:HR:2004:AO9028
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over belastingheffing bij bouw woning op landbouwgrond en bestemmingswijzigingswinst
Belanghebbende, vennoot in een vof met een landbouwbedrijf, kocht een perceel landbouwgrond dat later een bestemming kreeg die bebouwing toeliet. Hij bouwde een ligboxenstal en verkocht een deel aan zijn zoon die daarop een bedrijfswoning bouwde. De Inspecteur legde aanslagen inkomstenbelasting en premie op, die het hof deels verminderde omdat het bouwperceel volgens het hof niet leidde tot een bestemmingswijzigingswinst.
De Hoge Raad stelt dat onder artikel 8 lid 1 letter Pro b Wet IB 1964 het bouwen van een woning op landbouwgrond leidt tot onttrekking van die grond aan het landbouwgebruik, ongeacht of de woning dienstbaar is aan het landbouwbedrijf of nabijheid vereist is. Hierdoor is het perceel niet langer onderdeel van het landbouwbedrijf voor fiscale doeleinden.
De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en stelt het belastbaar inkomen vast op een hoger bedrag, waarbij een hogere dotatie aan fiscale oudedagsreserve is meegenomen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Dit arrest verduidelijkt de toepassing van de wet op bestemmingswijzigingswinst bij bouw op landbouwgrond.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting wordt verhoogd tot een belastbaar inkomen van ƒ 114.193.