ECLI:NL:HR:2004:AP1381

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
39584
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57a Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 7 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad uitspraak over winst uit aanmerkelijk belang en informeel kapitaal

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1996 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd, die na bezwaar werd verminderd tot een belastbaar inkomen van ƒ 790.646, waarvan ƒ 729.750 werd belast volgens artikel 57a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

Belanghebbende ging in beroep bij het Hof Amsterdam, dat het beroep ongegrond verklaarde. Tegen deze uitspraak stelde belanghebbende cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht had vastgesteld dat belanghebbende een bedrag van ƒ 49.785 aan H BV had onttrokken en als informeel kapitaal in F BV had gestort, maar dat het Hof niet hoefde te corrigeren in de verkrijgingsprijs van de aandelen. Dit leidde niet tot een te hoge aanslag.

De overige middelen van cassatie werden verworpen zonder nadere motivering, omdat deze niet tot rechtsvragen leidden die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad wees het beroep af en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Hof wordt bevestigd.

Uitspraak

Nr. 39.584
11 juni 2004
WM
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 maart 2003, nr. P02/02410, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 790.646, waarvan een bedrag van ƒ 729.750 belast naar het tarief van artikel 57a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Middel III klaagt erover dat het Hof na te hebben geoordeeld dat belanghebbende ten minste een bedrag groot ƒ 49.785 aan H BV heeft onttrokken en als informeel kapitaal heeft gestort in F BV, verzuimd heeft de verkrijgingsprijs van de aandelen van belanghebbende in laatstgenoemde vennootschap met dat bedrag te verhogen. Het middel is gegrond. Het kan echter niet tot cassatie leiden. Uitgaande van de naar het progressieve tarief belaste onttrekking ter grootte van ƒ 49.785 ten laste van H BV en de verhoging van de verkrijgingsprijs van de aandelen in F BV, is de aanslag niet naar een te hoog bedrag opgelegd.
3.2. De overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2004.