ECLI:NL:HR:2004:AP9807
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Waardering pensioenverplichtingen bij overdracht en verplaatsing feitelijke leiding
Belanghebbende, een vennootschap opgericht in 1994 op de Nederlandse Antillen, nam pensioenverplichtingen over van een andere vennootschap. De feitelijke leiding van belanghebbende werd in december 1994 verplaatst van Nederland naar Curaçao. De Inspecteur rekende de waarde van de pensioenverplichtingen per 12 december 1994 tot de belastbare winst, wat belanghebbende betwistte.
Het hof oordeelde dat sprake was van een samenhangend geheel van rechtshandelingen gericht op het vermijden van Nederlandse belastingheffing en corrigeerde de waardering van de pensioenverplichtingen met een kans van 5% dat het afzien van pensioenrechten niet zou plaatsvinden. Het hof vond dat het tijdstip van afzien van pensioenrechten geen zelfstandige betekenis had voor de waardering.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat reeds bij de oprichting of inbreng van de pensioenverplichtingen vaststond dat zou worden afgezien van de pensioenrechten. Hierdoor had het hof ook de waarde bij de inbreng op 10 oktober 1994 moeten corrigeren. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak voor verdere behandeling terug naar het hof.
De Hoge Raad veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten en gelast vergoeding van het griffierecht aan belanghebbende.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor herbeoordeling met inachtneming van de juiste waardering van pensioenverplichtingen.