ECLI:NL:HR:2004:AQ8842
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.A.M. van Schendel
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt mondelinge machtiging voor doorzoeking ter aanhouding en verwerpt cassatie
In deze strafzaak stond de vraag centraal of de machtiging tot doorzoeking ter aanhouding schriftelijk moet worden verstrekt. De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor medeplegen van verboden wapenbezit en overtreding van de Opiumwet. Hij stelde dat de aanhouding en huiszoeking onrechtmatig waren vanwege het ontbreken van een schriftelijke machtiging en onvoldoende redelijk vermoeden van schuld.
Het hof oordeelde dat er voldoende objectieve aanwijzingen waren voor betrokkenheid van de verdachte bij een dubbele moord en verboden wapenbezit. Tevens stelde het hof dat de machtiging tot doorzoeking mondeling kon worden gegeven, wat door de Hoge Raad werd bevestigd. De verdediging voerde verder aan dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moest worden verklaard wegens schending van procesrechten, en dat bewijsmiddelen uitgesloten moesten worden, maar deze verweren werden verworpen.
De Hoge Raad concludeerde dat noch de wetsgeschiedenis noch de tekst van artikel 55a Wetboek van Strafvordering vereist dat de machtiging schriftelijk wordt gegeven. Het cassatieberoep faalde derhalve en werd verworpen, waarmee de veroordeling van de verdachte in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van verdachte tot vijftien maanden gevangenisstraf met onttrekking aan het verkeer.