ECLI:NL:HR:2004:AR3029
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.A.M. van Schendel
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vermindert betalingsverplichting wegens overschrijding redelijke termijn in ontnemingszaak
In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal. De betrokkene had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank die hem verplichtte een bedrag te betalen aan de Staat. Het hof had de betalingsverplichting bevestigd en een vervangende hechtenis opgelegd bij niet-betaling.
De betrokkene stelde in cassatie dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, omdat het hof meer dan 18 maanden deed over de behandeling van het hoger beroep. Het hof had dit verweer verworpen met het argument dat de overschrijding was gecompenseerd door een bijzondere voortvarendheid in de behandeling.
De Hoge Raad oordeelde echter dat dit oordeel van het hof zonder nadere motivering niet begrijpelijk was. De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn was overschreden en dat dit moest leiden tot vermindering van het te betalen bedrag. Om doelmatigheidsredenen deed de Hoge Raad de zaak zelf af en beperkte het bedrag tot € 50.000. Tevens vernietigde de Hoge Raad het deel van de uitspraak waarin vervangende hechtenis was opgelegd.
De Hoge Raad verwierp het overige cassatiemiddel en bevestigde daarmee het overige oordeel van het hof. De uitspraak werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 9 november 2004.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert het te betalen bedrag tot € 50.000 en vernietigt de opgelegde vervangende hechtenis wegens overschrijding van de redelijke termijn.