ECLI:NL:HR:2005:AR7269

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00993/04
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • B.C. de Savornin Lohman
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 SrArt. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest wegens nalaten toepassing art. 27 lid 1 Sr in zaak poging doodslag

De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarbij verdachte was veroordeeld voor poging tot doodslag. Het hof had de verdachte veroordeeld tot vijftien maanden gevangenisstraf, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, en ontzegging van de rijbevoegdheid.

De Hoge Raad constateerde dat het hof had nagelaten ambtshalve toepassing te geven aan artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat bepaalt dat de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in mindering moet worden gebracht op de opgelegde straf. De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend vanwege dit gebrek en beval dat de tijd in voorlopige hechtenis in mindering wordt gebracht op de straf.

Het cassatiemiddel van de verdachte werd verworpen omdat het geen rechtsvragen opriep die beantwoording behoefden in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad stelde vast dat de voorlopige hechtenis van verdachte liep van 20 mei 2002 tot 15 juli 2002. De overige onderdelen van het arrest bleven in stand.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens nalaten toepassing van art. 27 lid 1 Sr en de straf wordt verminderd met de tijd in voorlopige hechtenis.

Uitspraak

18 januari 2005
Strafkamer
nr. 00993/04
SG/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 10 december 2003, nummer 20/000094-03, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - behalve ten aanzien van de strafoplegging, de strafmotivering en de bewijsvoering - bevestigd een vonnis van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 10 september 2002, waarbij de verdachte is veroordeeld ter zake van "poging tot doodslag, meermalen gepleegd". Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot vijftien maanden gevangenisstraf, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. F.A.J. van Rijthoven, advocaat te Bladel, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.1. De stukken van het geding houden in dat de verdachte op 14 mei 2002 in verzekering is gesteld, dat de voorlopige hechtenis op 20 mei 2002 is ingegaan en dat het bevel tot voorlopige hechtenis op 15 juli 2002 is opgeheven.
4.2. Het Hof heeft nagelaten het in art. 27, eerste lid, Sr bepaalde in acht te nemen. De Hoge Raad zal doen wat het Hof had behoren te doen.
5. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voorzover daarbij geen toepassing is gegeven aan art. 27, eerste lid, Sr;
Beveelt dat op de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht de tijd welke de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van het bestreden arrest in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht;
Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 18 januari 2005.