6. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft op 13 januari 2006, 16 januari 2006, 24 januari 2006, 2 februari 2006, 10 februari 2006, 9 maart 2006, 17 mei 2006 en 22 juni 2006 bij de politie verklaringen afgelegd. [betrokkene 1] heeft op 20 juni 2006, 21 juni 2006, 22 juni 2006, 4 juli 2006 en 26 juli 2006 bij de politie verklaringen afgelegd. De verdediging heeft geen gelegenheid gehad om de verhoren bij te wonen en om vragen te stellen aan deze getuigen.
(ii) Bij faxbericht van 27 januari 2009 heeft de raadsman van de verdachte de rechtbank verzocht [medeverdachte 1] als getuige te horen over de in de zomer van 2004 in Orléans aangehouden vrachtwagen. Het proces-verbaal van verrichtingen en bevindingen van de rechter-commissaris van 1 september 2009 houdt in dat [medeverdachte 1] is uitgeschreven naar Iran en dat met Iran geen rechtshulpverkeer mogelijk is.
(iii) De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld en in haar Promisvonnis van 16 september 2009 door [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] bij de politie afgelegde verklaringen voor het bewijs gebruikt. Namens de verdachte is op 29 september 2009 hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
(iv) Bij faxbericht van 14 februari 2011 heeft de raadsman van de verdachte aan de advocaat-generaal bij het hof medegedeeld dat de verdediging op de regiezitting zal verzoeken [medeverdachte 1] als getuige te horen. De advocaat-generaal heeft zich bij brief van 15 februari 2011 op het standpunt gesteld dat het verzoek niet aan de eisen van de wet voldoet en dat het niet aannemelijk is dat [medeverdachte 1] binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal kunnen verschijnen, aangezien [medeverdachte 1] “geen adres” in Nederland heeft en de raadsman geen adresgegevens van de getuige heeft.
(v) Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep van 16 februari 2011 overgelegde pleitaantekeningen, heeft de raadsman van de verdachte ter zitting verzocht [medeverdachte 1] als getuige te horen.
(vi) Het hof heeft dit verzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 25 februari 2011 afgewezen, omdat onaannemelijk is dat [medeverdachte 1] binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen. Hoewel de verdediging als adres van deze getuige [a-straat] in Aalsmeerheeft opgegeven, blijkt uit een recent uittreksel uit de GBA dat de getuige in 2007 naar Iran is vertrokken zonder opgave van een adres aldaar. Ook overigens zijn geen adresgegevens van de getuige bekend. Indien alsnog een adres van de getuige bekend wordt, kan een nieuw verzoek worden gedaan.
Daarnaast heeft het hof het verzoek tot het doen oproepen van [betrokkene 1] toegewezen, nu de noodzaak daarvan is gebleken. Het hof heeft bepaald dat het verhoor van de getuige door één van de leden van de behandelende strafkamer in de hoedanigheid van raadsheer-commissaris zal plaatsvinden.
(vii) Het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 22 juni 2011 houdt in dat het niet mogelijk is om de getuige [betrokkene 1] op te roepen voor verhoor, nu geen (andere) adresgegevens bekend zijn. Uit het GBA-systeem is gebleken dat [betrokkene 1] vanaf 15 december 2010 is geëmigreerd met onbekende bestemming. Op 9 mei en 17 juni 2011 is de dagvaarding van de getuige tevergeefs aangeboden op het laatst bekende woonadres van de getuige, waarna de dagvaarding op 17 juni 2011 retour is gezonden.
(viii) Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 juli 2011, persisteert de raadsman van de verdachte bij het verzoek [betrokkene 1] als getuige op te roepen. Als het hof van oordeel is dat het niet zinvol is om een nadere poging te doen om [betrokkene 1] te traceren, dan legt de raadsman zich bij die beslissing neer.
Voorts heeft de raadsman het eerder afgewezen verzoek tot het oproepen van getuige [medeverdachte 1] herhaald. De raadsman heeft (via het hof) aan de advocaat van de getuige [medeverdachte 1], die in diens gelijktijdig behandelde strafzaak ter terechtzitting aanwezig als gemachtigde raadsman van medeverdachte [medeverdachte 1], gevraagd of er een mogelijkheid is om [medeverdachte 1] te traceren. De raadsman van [medeverdachte 1] heeft hierop geantwoord dat hij geen behoefte heeft om te reageren op de vraag van mr. Van der Lee naar de traceerbaarheid van getuige [medeverdachte 1], dat het hof de getuige kan oproepen op het kantoor van de raadsman en dat hij die oproeping dan aan [medeverdachte 1] zal voorleggen.
(ix) Het hof heeft op voornoemde terechtzitting het verzoek om getuige [betrokkene 1] op te roepen afgewezen, nu niet aannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 22 juni 2011 blijkt dat [betrokkene 1] niet meer staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie en dat er verder ook geen aanknopingspunten zijn voor een adres of een verblijfplaats.
Daarnaast heeft het hof het verzoek tot het doen oproepen van getuige [medeverdachte 1] toegewezen, nu de noodzaak daartoe is gebleken. De getuige zal voor de terechtzitting in hoger beroep van 6 oktober 2011 worden opgeroepen op het kantooradres van zijn raadsman.
(x) De oproeping van getuige [medeverdachte 1] voor de terechtzitting in hoger beroep van 6 oktober 2011 is op 19 juli 2011 op het adres van het advocatenkantoor van de raadsman van [medeverdachte 1] uitgereikt. Voorts is de oproeping op 13 juli 2011 uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te Amsterdam, omdat van de getuige geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is.
(xi) Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 oktober 2011, is [medeverdachte 1] niet ter terechtzitting verschenen.De raadsman van de verdachte handhaaft het verzoek om [medeverdachte 1] als getuige te doen oproepen. Ten slotte heeft het hof geoordeeld dat het zal afzien van de hernieuwde oproeping van getuige [medeverdachte 1], nu het niet aannemelijk is dat hij binnen een aanvaardbare termijn ter zitting zal verschijnen, aangezien er geen enkel aanknopingspunt aanwezig is voor de verblijfplaats van de getuige. Het hof heeft daartoe overwogen dat er geen adres bekend is van de getuige, dat de enige informatie die bekend is inhoudt dat hij is uitgeschreven naar Iran, en dat de poging om de getuige op het kantoor van zijn raadsman op te roepen ook niet is gelukt.