ECLI:NL:HR:2005:AS6026
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid van uitlevering aan Moldavië ondanks verweer schending redelijke termijn EVRM
De zaak betreft het verzoek van de Republiek Moldavië tot uitlevering van een persoon geboren in 1978, die in Nederland is gedetineerd. De Hoge Raad heeft de opgeëiste persoon gehoord en de stukken van het verzoek beoordeeld, waaronder het aanhoudingsbevel en de relevante Moldavische wetgeving.
De verdediging voerde aan dat de uitlevering ontoelaatbaar is wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting in Moldavië en het ontbreken van een effectief rechtsmiddel conform artikel 13 EVRM Pro. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie en stelt dat het vertrouwen in de naleving van het EVRM door Moldavië betekent dat de opgeëiste persoon na uitlevering een effectief rechtsmiddel zal hebben.
De Hoge Raad concludeert dat de opgeëiste persoon niet onherroepelijk is vrijgesproken in Moldavië en dat er geen feiten of omstandigheden zijn die de uitlevering in de weg staan. De uitlevering wordt daarom toelaatbaar verklaard voor het feit dat strafbaar is gesteld in zowel Moldavisch als Nederlands recht.
De uitspraak benadrukt het belang van wederzijds vertrouwen tussen staten die partij zijn bij het EVRM en bevestigt dat mogelijke schendingen van rechten na uitlevering kunnen worden gecompenseerd via rechtsmiddelen in de verzoekende staat.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Moldavië toelaatbaar en wijst het verweer van schending van het recht op een redelijke termijn af.