ECLI:NL:HR:2005:AT1756
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt veroordeling wegens onvoldoende bewijs opzettelijk voordeel trekken uit bijstandsfraude
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor het opzettelijk trekken van voordeel uit de opbrengst van bijstandsfraude van zijn partner, met wie hij een gezamenlijke huishouding voerde. Het hof baseerde zich op feiten als het huwelijk volgens het Hindoestaanse geloof, samenwonen op hetzelfde adres en het hebben van een kind.
De verdediging voerde aan dat niet bewezen kon worden dat sprake was van een gezamenlijke huishouding in de zin van de Algemene bijstandswet, omdat geen financiële eenheid bestond. De Hoge Raad oordeelde dat het hof dit verweer onvoldoende had gemotiveerd, maar dat dit niet tot cassatie leidt omdat het hof het verweer slechts kon verwerpen op basis van de vastgestelde feiten en de toepasselijke wet.
Het tweede middel van cassatie betrof het ontbreken van bewijs dat de verdachte wist dat goederen en diensten geheel of gedeeltelijk met door misdrijf verkregen geld werden bekostigd. De Hoge Raad stelde vast dat het hof weliswaar kon afleiden dat de partner het geld gebruikte ten bate van de gezamenlijke huishouding, maar dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de verdachte dit wist. Hierdoor is de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd en wordt het arrest vernietigd.
De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor een nieuwe berechting op het bestaande hoger beroep. De Hoge Raad bevestigt dat het begrip gezamenlijke huishouding in de toepasselijke Algemene bijstandswet niet het woord 'duurzaam' bevat, zodat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven door dit begrip toe te passen.
Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en uitgesproken op 21 juni 2005.
Uitkomst: Arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van opzet en zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.