ECLI:NL:HR:2005:AT3035
Hoge Raad
- Cassatie
- A.G. Pos
- L. Monné
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Onjuiste bewijslastverdeling bij waardering onroerende zaak volgens WOZ
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn onroerende zaak, welke door de gemeente Gendringen was vastgesteld op ƒ 48.000 voor de periode 2001-2004. Na afwijzing van het bezwaar door de heffingsambtenaar en het Hof Arnhem, stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof ten onrechte de bewijslast bij belanghebbende legde om aan te tonen dat bij de waardebepaling onvoldoende rekening was gehouden met bodemverontreiniging, gebruiksbeperkingen en de ligging naast een metaalbedrijf. De bewijslast rust echter op de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat de waarde niet te hoog is vastgesteld.
Verder bleek uit het taxatierapport dat bij de waardebepaling geen rekening was gehouden met bodemverontreiniging, wat het oordeel van het Hof onbegrijpelijk maakt. De Hoge Raad verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het arrest van het Hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling.
Daarnaast werd bepaald dat de gemeente het cassatiegriffierecht van belanghebbende moet vergoeden. De Hoge Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten en liet verdere kostenvergoedingen aan het verwijzingshof over.
Uitkomst: Het arrest van het Hof Arnhem wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling.